Herberg "Moeder Lambik" uit midden 19de eeuw als aanhorigheid van het 300713. Opgetrokken in een zelfde pittoreske landelijke stijl als de 300713. Deze herberg ligt aan de 300713 tussen Melveren en een oude viersprong. Langs deze weg was tijdens het ancien regime de hoofdtoegang van het kasteel Nieuwenhoven gelegen.
Gebouwd in 1843 onder eigenaar Jacques Travers (kadastraal geregistreerd in 1848). De oorspronkelijke functie is niet gekend, mogelijk was het ook een personeelswoning van het kasteel. Op het kadaster stond het gebouw geregistreerd als "huis". Van wanneer de aankleding met knoestige boomstammen dateert is niet duidelijk. Waarschijnlijk kort na de bouw onder baron Charles Whettnall of in het laatste kwart van de 19de eeuw. Een oude foto gedateerd tussen 1880 en 1885 toont een gezelschap voor de jacht rond de boswachter voor de woning.
Rechthoekig volume van één bouwlaag onder een overkragend vernieuwd pannen zadeldak op houten schoorstukken van knoestige boomstammen. De structuur is niet zichtbaar. Mogelijk is het gebouw opgebouwd uit stijl- en regelwerk met lemen vullingen en een bakstenen voet (net als de boswachterswoning) of opgebouwd uit bepleisterde en beschilderde baksteen voor de voorgevel. Kenmerkend is de centrale toegang die hoger is opgetrokken en een afgewolfd dak kreeg. De gevel is bekleed met een structuur van beschilderde knoestige boomstammen. En ook het dak boven de toegang wordt gedragen door een structuur van knoestige boomstammen. Rechthoekige muuropeningen (vernieuwd schrijnwerk). De rechtse travee is een latere uitbreiding in dezelfde stijl. De linker zijgevel is opgebouwd uit baksteen met een pannen beschieting.
Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Herberg Moeder Lambik [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300713 Geraadpleegd op 12-11-2019
Clement Cartuyvels was de zoon van een zeepfabrikant op de Grote Markt en neefje van burgemeester Guillaume Vanvinckenroy . Hij droeg zelf de sjerp tussen 1899 en 1921. Op zijn CV lezen we: advocaat, bankier, provincieraadslid, gedeputeerde, vrederechter, gemeenteraadslid, volksvertegenwoordiger, senator, voorzitter Sint-Vincentiusgenootschap, derdeordeling en katholiek. Hij maakte de Belle Epoque in zijn stad mee: vernederlandsing van het bestuur, aanleg tramlijnen, riolering, waterleiding, bouw slachthuis, provinciale 'expositie' in 1907. Maar Clément moest ook de schok van de Duitse inval meemaken. Zijn zoon Paul, majoor van de Burgerwacht, verdween een jaar in Duitse kampen en hijzelf werd het laatste jaar van de oorlog uit zijn ambt ontheven. Clément woonde in de Capucijnenstraat in een herenhuis, later omgebouwd tot Sint-Annakliniek.

De bank Cartuyvels:

Clément stierf op zijn kasteeltje in Verlaine en kreeg, behalve een straatnaam (de vroegere Capucijnen- en Coemansstraat) in 1921, ook een marmeren borstbeeld. Toen zijn zoon notaris Paul Cartuyvels in 1927 zelf burgemeester werd, kreeg hij van zijn makkers oud-burgerwachten een ontwerptekening voor een borstbeeld van zijn papa cadeau. De ontwerper was niemand minder van Victor de Haen uit het Brusselse, die ook de wedstrijd had gewonnen voor het monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op Sint-Marten. Op kosten van het stadsbestuur werd de buste in marmer uitgevoerd en prijkte voortaan in het stadhuis. Momenteel in erfgoeddepot bij de Zusters Ursulinen. Vermits het beeld postuum werd getekend, herken je duidelijk de pose op het bidprentje van Clément Cartuyvels. Op zijn linkerschouder liet de beeldhouwer van het witte marmer zijn naam in sierlijke letters na.
