Nieuwe tuin, ontwerp van Viviane Paelinck uit 1991, bij het restant van een parkje bij het kasteel van Melveren met 18de-, 19de- en 20ste-eeuws uitzicht maar oudere kern, nu in gebruik als restaurant.
Het kasteel ligt ten noorden van de Melsterbeek, ten noordwesten van de kerk van Melveren en ten zuiden van de spoorlijn naar Alken. De gebouwen dragen de jaartallen 1620 op de wapensteen van H. van Mettecoven en K. van Velpen en 1742 in het blazoen van W. Seroots. Ze werden in 1991 gerestaureerd en verbouwd. Voorheen moet hier een Augustinessenklooster hebben bestaan, onder de naam Sint-Luciadal dat in 1743 beschreven wordt als een 'huis, aangenaam gelegen dat de kenmerken draagt van zijn verleden'. Op de Ferrariskaart (1771-1775) is een vierkant complex met binnenkoer getekend met boomgaard ten noorden, tuinen ten zuiden en zuidoosten en een rechte dreef richting beek naar het zuidwesten.
Op het Primitief kadasterplan (1825) ligt er bij de kerk en de pastorie een gesloten complex met binnenkoer (nr. 164) en een U-vormige gracht (perceel nr. 167, vijver) op enige afstand, mogelijk wijzend op een verdwenen opperhof; ten noordoosten twee percelen met paviljoen of bakhuis (nr. 162, tuin en 163, bouwland) en ook perceel nr. 170 en 171 zijn tuinen. In 1844 is het eigendom van weduwe Pieter Chantraine, rentenierster te Sint-Truiden. Op de Dépot-kaart (opname 1871, uitgave 1878) zijn de gebouwen gelegen temidden van boomgaarden en ligt er ten noorden van de beek een lustbosje.
Nu staat er slechts één vleugel met een ruim herenhuis overeind. De toegang gebeurt vanuit het zuidoosten, langs een toegangshek met voetgangersdeur naar het nieuw aangelegd erf. Dat ligt in dolomiet met een strook kasseien tegen het huis. Vierkante pijlers van baksteen en eenvoudig gesmeed ijzeren hek met vierkante stijlen met acanthusknop, ondertussen- en bovenregel en ronde spijlen met lanspunten. Haaks een vasthek tussen erf en tuin. Ten noordwesten is het erf begrensd door de oude tuinmuur. Twee hermetselde vierkante ingangspijlers geven toegang tot de nieuwe, nu omhaagde en deels ommuurde moes- en kruidentuin, gelegen in de oude boomgaard ten noorden. Vast hek op bakstenen voet tussen het parkje en de moestuin. Ten noordoosten ligt een pittoreske, hoog ommuurde en beboomde tuin in kern uit einde 18de eeuw, grenzend aan de kerk en de uitbreiding van het kerkhof. Het zacht oplopend grasveld heeft een interessante beplanting van loof- en naaldhout en in de lengteas ligt tegen de bakstenen tuinmuur een classicistisch rechthoekig tuinpaviljoen uit 1763 onder zadeldak. Het is opgetrokken in baksteen met Maaslandse natuursteen voor de rondboogvormige deuromlijsting en de als fronton gemarkeerde puntgevel. Het werd genoteerd op de Primitieve kadasterkaart. Ernaast, in de noordelijke hoek staat op een heuveltje een rustiek paviljoen gebouwd met boomstronken in cement met een kegeldak van riet, uit de tweede helft van de 19de eeuw. Mogelijk was het een gloriette die uitkijk bood op de spoorweg.
Ten noorden situeren zich de recent aangelegde boomgaard, moes- en kruidentuin. De bakstenen muur is gemeenschappelijk met de noordoostelijke tuin en heeft deels een smeedijzeren hek op een bakstenen plint. Ten zuidwesten ligt de recente bloementuin uit 1991, ter plaatse van de voormalige binnenkoer, met omhaagde kamers en terrassen met snoeivormen, bolbomen en bloemenborders.
Bomen
Bruine beuk (Fagus sylvatica), oude buxus (Buxus sempervirens subsp. sempervirens) bij de hekpijlers naar de moestuin, gele beshulst (Ilex aquifolium 'Bacciflava'), gewone es (Fraxinus excelsior), gewone hazelaar (Corylus avellana), Coloradozilverspar (Abies concolor), Californische schijncipres (Chamaecyparis lawsoniana), mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), van haag van eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) in het verlengde van de noordoostelijke tuinmuur, treures (Fraxinus excelsior 'Pendula').
Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Tuin van het Kasteel van Melveren [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/303412 Geraadpleegd op 12-11-2019
In het bekken van de Melsterbeek volgen de beken eerst zuid-noord het dalend reliëf van ca. 100 naar 35 meter boven zeespiegel. Net noordelijk van het stadscentrum van Sint-Truiden buigt de Melsterbeek zelf naar het noordwesten en ontvangt de Cicindria in Melveren en de Molenbeek in Runkelen. Ze loopt dan een tijdje zij-aan-zij met de Gete en vloeit samen bij Donk. Via Demer, Dijle en Rupel gaat het richting Schelde.

De naam ‘Melster’ komt waarschijnlijk van het woord malter of mout, maar in de lokale volksmond is het gewoon ‘molenbeek’ als grootste waterloop. Ze ontspringt in Heiselt bij Jeuk, vlakbij de taalgrens. Ze is 33 kilometer lang. Waterlopen schuren beekvalleien uit en de kleilagen onder de ijstijdleem in Vochtig Haspengouw doen talrijke bronnetjes dagzomen. Langs de oevers van de Melsterbeek groeide een ketting van dorpen met omgrachte kastelen en zelfs abdijen in Nonnemielen en Terbeek. Haar stroomkracht deed graanwatermolens draaien. In Sint-Truiden zijn dat de dorpen Aalst, Brustem, Ordingen, Zepperen, Melveren, Metsteren en Runkelen.

De beken kennen in deze streek een vrij hoog verval met piekdebieten. Voor de waterbeheersing waren wachtbekkens nodig, o.m. voor de Melsterbeek in Aalst, Ordingen en Bernissem. De natte gronden in de beekvalleien waren in de 19de-20ste eeuw met waterzuchtige Canadapopulieren beplant, nuttig voor klompen, minder duurzaam timmerwerk en kisthout.


Een vistelling in 2012 bij Metsteren leverde volgende soorten op: driedoorn stekelbaars, tiendoorn, riviergrondel, bermpje en blauwband. De molenwatervallen zijn wel een drempel voor hun migratie voor paai, rust en voedselgaring, onderzoek Stef Cools.
