In het verlengde van het diephuis Stapelstraat 48, onder hetzelfde dak als het lagere gedeelte van het pand, mogelijks ten gevolge van een interne verdeling, is het pand Gootstraat 1 te situeren. Het pand is toegankelijk via een doorgang in de Gootstraat, leunt aan tegen een huis in deze straat en heeft twee zichtbare gevels, een versteende gevel langsheen de doorgang, een gedeeltelijk in vakwerk bewaarde gevel aan de zijde van de achterkoer van het huis in de Stapelstraat; de vakwerksporen rusten op een versteende eerste bouwlaag en omvatten een onregelmatige houtstructuur, waarin een laadvenster en een zolderluik zijn uitgespaard.
De panden Gootstraat 3 en 5 zijn twee eenvoudige huisjes met een gemeenschappelijke verankerde voorgevel van vijf traveeën en twee bouwlagen, opgetrokken in baksteen op een gecementeerde plint met schijnvoegsuggestie. Centraal aan de gevel is een kapelletje opgehangen met een afbeelding van de Heilige Familie. Gootstraat 3 beslaat de drie rechtse traveeën, op het gelijkvloers gevormd door een zijdelingse ingangspoort rechts, daarnaast een deur met houten bovendorpel en een venster met dito bovendorpel en hardstenen onderdorpel; de verdieping omvat drie vensters, gelijkaardig aan dit op het gelijkvloers. Gootstraat 5 beslaat de twee linkse traveeën, omvat een deur en venster op het gelijkvloers en twee vensters op de verdieping; deur- en vensteropeningen zijn gelijkaardig aan deze van Gootstraat 3. De achterzijde van de panden heeft nog een gaaf vakwerkskelet met vullingen in baksteenmetselwerk. In Gootstraat 3 vertoont dit vakwerk een regelmatige structuur, met vier stijlen, her en der geschoord, ertussen regels, die het parement in regelmatige rechthoeken verdelen. Ter hoogte van de tweede bouwlaag is later een raam ingebracht. De achterzijde van Gootstraat 5 geeft een levendiger beeld. De stijlen reiken immers niet tot aan de dakrand, maar tot onder de vensters van de tweede bouwlaag, die rusten op een regel over de gehele breedte van het perceel. Onder deze balk schijnt de structuur vrij regelmatig; met stijlen, tussenliggende regels en schoorwerk, boven de balk een gelijkaardig beeld, maar met een andere spreiding van de stijlen en een onderbreking door geciteerde vensters, overigens gevat in een houten kader. Er is ook een duidelijk verschil merkbaar tussen het opvullende baksteenmetselwerk onder en boven.
Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Vakwerkgebouwen [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200385 Geraadpleegd op 12-11-2019
Sittard 28.10.1912 – Maastricht 25.02.2000
Broer van de priesters Jan en Emile. Klein Seminarie, ondervoorzitter Utile Dulci 1932. Kortverhalen onder pseud. ‘Henk van Dijk’. Priester 1937. Kapelaan Membach 1937, administrator Kelmis (La Calamine) 1943 en kapelaan Welkenraedt 1944. Pastoor Bois 1949, Gelinden 1953 en Smeermaas 1966-1977. Overleden aan brandwonden bejaardenhuis Jekerdal Maastricht. Streekgeschiedenis in Limburgse tijdschriften en dagblad.
Biografische notities in NBIOW. Lid Société d’art et d’histoire du diocèse de Liège en Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis. Voorzitter Geschied- en Oudheidkundige Kring GOSSU Lanaken 1972-1977. Prijs Gemeentekrediet van België.
Als pastoor van Gelinden bezorgde hij dit dorp een hele reeks historische bijdragen en trok de aandacht op de lokale mergelontsluiting met zijn unieke fossielen.