Twee breedhuizen van het enkelhuistype, die mogelijk oorspronkelijk een geheel vormden; samen zeven traveeën en twee en een halve bouwlaag onder mank zadeldak (Vlaamse pannen); neoclassicistisch gebouw uit midden 19de eeuw (?). Verankerde bakstenen lijstgevel op een gecementeerde plint. Monumentaal opgevatte rechts gelegen poorttravee; rechthoekige poort geflankeerd door beschilderde, hardstenen pilasters op basementen; bekronend entablement met tandlijst en geprofileerde druiplijst; op de bovenverdieping, aansluitende bakstenen pilasters met vereenvoudigd kapiteel, die een bakstenen entablement dragen. Rechthoekige vensters met beschilderde lateien en lekdrempels. Rechthoekige deur in een vlakke omlijsting van beschilderde hardsteen; de deur van nummer 38 is waarschijnlijk toegevoegd.
Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Twee burgerhuizen [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/22686 Geraadpleegd op 12-11-2019

Te Engelmanshoven heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:
'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',
dan kwamen ze uw werk doen. '
Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.
'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.
Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.
'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'
Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:
'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!'
en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.
Opgetekend door F. Beckers in 1948