
Zij werd in 1150 geboren te Brustem bij Sint-Truiden. Ze stierf in het Sint-Catharinaklooster te Sint-Truiden.
Over haar bestaat, zoals haar naam al aangeeft, bestaat een wonderlijke legende.
Christina de Wonderbare werd circa 1150 geboren in Brustem, als jongste dochter van respectabele ouders. Na de dood van haar ouders bleef ze bij haar twee zussen wonen te Brustem. Samen besloten ze om een vroom leven te leiden, om hun leven in te delen volgens een religieuze levenswijze. De oudste zus wijdde haar leven aan het gebed, de tweede zus zorgde voor het huishouden en Christina kreeg de taak herderin te zijn. Zij zou het vee naar de weide leiden en bewaken. Christina was het merendeel van de tijd alleen in de velden, ontwikkelde mystieke gaven en werd opgezocht door Christus. Op haar twee- of drieëndertigste was ze totaal uitgeput, ziek en stierf ze. De dag na haar dood vond haar begrafenis plaats. Maar tijdens de heilige Mis, die voor de zielsrust van Christina werd opgedragen, richtte het lichaam zich opeens rechtop uit de open lijkbaar. Haar lichaam steeg als een vogel omhoog en ze ging bovenop één van de dwarsbalken zitten. Na de mis vroeg de priester aan Christina om weer naar beneden te komen. Ze gehoorzaamde en ging samen met haar zus naar huis. Christina vertelde dat, nadat haar ziel haar lichaam verlaten had, ze door engelen geleid werd naar een donkere plek waar mensen werden gestraft voor hun zonden. Hier bevonden zich ook mensen die zij gekend had en die op deze schrikwekkende plek gemarteld werden. De engelen legden haar uit dat ze zich in het vagevuur bevonden, waar de bekeerde zondaars hun straf moesten uitboeten. Daarna namen de engelen haar mee naar de hel, waar de martelingen nog erger waren dan in het vagevuur. Tenslotte namen de engelen haar mee naar de hemel, naar de troon van God. En God stelde haar voor de keuze: of ze zou direct in de hemelse heerlijkheid worden opgenomen, of ze keerde terug naar de aarde, waar ze de rest van haar leven zou lijden voor de zondaars in het vagevuur, echter zonder schade aan haar lichaam te ondervinden. Daarbij zou God haar ook dingen laten doen die het menselijk verstand te boven gingen. Ze zou door haar voorbeeldig leven mensen bekeren en dan later opgenomen worden in de hemel. Christina besloot voor de tweede optie te kiezen en haar ziel kwam terug naar haar lichaam. Zo stond ze op uit de dood. Tijdens een eerste fase na haar terugkeer op aarde, keerde ze zich af van de mensen, omdat ze hun geur niet kon verdragen. Ze vluchtte weg van haar omgeving, ze verstopte zich in hoge bomen en op afgelegen plaatsen. Zij koos voor vrijwillige boete en lijden, ze verdroeg honger en dorst, trotseerde koude en warmte. Ze vloog naar de toppen van bomen en daken en voedde zich met de melk uit haar maagdelijke borsten om te overleven. De meeste mensen, onder wie ook haar zussen, dachten dat ze bezeten was door demonen, en probeerden haar gevangen te nemen en op te sluiten. Haar boeien braken echter open door de hulp van God en zo kon ze terug ontsnappen. Meteen ging haar afwijkende gedrag verder. Ze kwelde zichzelf door in brandende ovens te kruipen, of door afwisselend in kokend heet en ijskoud water te springen. Ze onderging folteringen en hing soms dagenlang samen met misdadigers aan de galg. Ze kroop in graven van pas overleden mensen en betreurde de zonden van de mensen. Sommige nachten joeg ze de honden van heel de stad Sint-Truiden op, dan weer liet ze zichzelf opjagen door de honden. Ze liep tussen doornstruiken door totdat haar volledige lichaam verwond was en hevig bloedde. Bij al deze lichamelijke kwellingen schreeuwde Christina van de pijn, alsof ze in barensnood was. Soms stond ze op palen of vloog ze naar de toppen van de bomen en zong dan psalmen.
Wanneer ze in deze contemplatieve toestand verkeerde, was haar lichaam als was en rolde ze zich op als een bal. Haar zussen en vrienden schaamden zich om haar gedrag en bleven haar achtervolgen om haar opnieuw gevangen te kunnen nemen. Ten einde raad vroegen ze aan een beul om haar te vangen. Hij sloeg haar neer met een knots, waarbij hij haar been brak. Dan nam hij haar mee naar haar zussen, die Christina opnieuw boeiden en in de kelder op sloten. Haar gebroken been werd door een dokter verzorgd. Tevergeefs echter, zodra de dokter weg was, trok ze het verband af, want Jezus Christus zou haar wel genezen. En er gebeurde inderdaad een mirakel. Uit Christina's borsten vloeide olie, waarmee ze haar wonden verzorgde en haar droog brood week maakte. Hierdoor zagen haar zussen eindelijk in dat ze niet bezeten was door de duivel, maar dat het God was die haar deze dingen liet doen. Ze vroegen Christina om vergiffenis en lieten haar vrij. De geestelijken van Sint-Truiden baden tot God dat haar wonderdaden door de mensen niet meer verkeerd zouden geïnterpreteerd worden, en dat haar wonderen wat gematigder zouden worden. Op een dag kreeg Christina ineens de drang om naar Wellen te gaan. In de kerk vond ze het open doopvont, waar ze zich helemaal in onderdompelde. Na deze gebeurtenis werd ze rustiger, ze nam een minder ongewone levenshouding aan. Christina had de gave dat ze van elke dode wist of hij of zij naar de hel, het vagevuur of de hemel ging. Ze legde de mensen ook uit wat het vagevuur was. En ze had nog meer profetische gaven. Daarnaast had ze nog verschillende extatische ervaringen. Hierbij werd ze ‘opgenomen in de geest’ en bewoog haar lichaam als een tol en klonk er een mystiek gezang tussen haar keel en borst, waarvan de melodie en de woorden niet te begrijpen of te imiteren waren. Het leek wel op het gezang van engelen. Christina was tijdens haar leven nooit verbonden aan een bepaalde regel of aan een klooster. Ze bezocht wel regelmatig het Sint-Catharinaklooster in Sint-Truiden. Daarnaast bracht ze ongeveer negen jaar door in Borgloon. Daar leefde ze van 1214-1223 bij de kluizenares Jutta. Bovendien had ze goede contacten met de graaf van Loon, Lodewijk II. Ze wees hem op zijn zonden en gaf hem raad. Toen hij op sterven lag, liet hij haar bij zich roepen en biechtte al zijn zonden op aan haar. Na zijn dood, nam Christina de helft van zijn straf, die hij in het vagevuur moest ondergaan, over. De graaf van Loon was niet de enige die door Christina vermaand werd, ook priesters die gezondigd hadden, werden berispt. Ook was Christina voor andere een raadsvrouw. Zo raadde ze Lutgardis aan om naar de cisterciënzerinnenabdij in Aywières te gaan.
Tijdens de laatste fase van haar leven, verbleef Christina veel op afgelegen en eenzame plekken en wanneer ze onder de mensen kwam, had men angst voor haar verschijning. Ze leek meer op een geest, die al zwevend voortbewoog. Haar ziel leek een gevecht te voeren met haar lichaam. Op een dag hoorde Thomas, een priester uit Sint-Truiden, Christina een dialoog opvoeren tussen haar ziel en haar lichaam, waarbij ziel en lichaam elkaar afwisselend afstootten en weer aantrokken. In haar laatste levensjaar at ze weinig, treurde veel en schreeuwde ze om de zondigheid van de mensen. Toen ze ziek werd, vroeg ze aan Beatrijs, een non uit het Sint-Catharinaklooster, of ze haar een bed wou klaarmaken en vroeg ze om de ziekenzalving. Beatrijs wou dat ze nog enkele vragen beantwoordde, maar Christina stierf voordat ze hierop antwoord had gegeven. Beatrijs klaagde luid en gebood Christina terug te keren om antwoord te geven. Christina keerde voor een tweede maal terug uit de dood en berispte Beatrijs, die haar in haar rust had gestoord. Toch beantwoordde ze alle vragen van Beatrijs vooraleer ze voor een derde en laatste maal stierf.

Afgebeeld als benedictijnernon met vleugels, als verwijzing naar haar ontstijging van het stoffelijke (op foto links in het gezelschap van de H. Lutgardis tgv de tentoonstelling in kader van de Trudofeesten 2012 in de begijnhofkerk)
Haar gebeente wordt vereerd (in 1231 naar Nonne-Mielen en vanaf 1836 bij de redemptoristen)
Medaille als afweer tegen veeziekten.
Feestdag 24 juli.
Levensbeschrijvingen o.m. door Thomas van Cantimpré en minderbroeder Geraert.
Schilderijen door Abraham van Diepenbeek en Georges Baltus.

Glasraam van Gust Landon, 1902
in de Onze-Lieve-Vrouwerkerk te Sint-Truiden.

Naam gegeven aan scouts en gidsengroep Sint-Truiden Centrum, fanfare Brustem…
Straatnaam Brustem
Songtekst Christina the Astonishing door de Australische popzanger Nick Cave in 1992.
Medaille als afweer tegen veeziekten.

Vaux sous Chèvremont (L.) 21.09.1885 – 22.07.1958 , x Gertrude Schaps
Jean Joseph Brialmont, zoon van Emile en Josephine Dumont, was van beroep ijzergieter. In 1912 huwde hij in Immersdorf (Duitsland). Twee jaar later, in 1914, kwam hij vanuit Ougrée naar Sint-Truiden, waar hij zich vestigde in de oude stroopfabriek.
Samen met Joseph Beauduin bouwde Brialmont een veelzijdig bedrijf uit. Aanvankelijk hield de onderneming zich bezig met de verkoop en herstelling van machines voor de nijverheid en de landbouw. Er werden onder meer ketels voor gemeentelijke soepkeukens en stroopstokerijen, persen en machines voor het verwerken van vlees en groenten vervaardigd en hersteld.
De ijzergieterij groeide uit tot een belangrijke producent van gietijzeren onderdelen. Er werden onderdelen gegoten voor treinen en schepen, maar ook voor dieselmotoren, boormachines en draaibanken. Daarnaast maakte het bedrijf grafkruisen en hield het zich bezig met staalconstructies, drijfriemen, brandkasten, ketels en de verkoop van olie en vetten.
De onderneming kreeg de naam N.V. Fonderies et Ateliers Emile Brialmont en leverde haar producten tot ver buiten de streek, zelfs internationaal. De economische crisis van het interbellum dwong het bedrijf echter om zijn activiteiten aan te passen. Brialmont legde zich steeds meer toe op de productie van robuuste, gebrevetteerde kachels. De zogenaamde ‘Brialmont’-kachel, uitgerust met acht luchtcirculaties, vond onder meer haar weg naar scholen, kerken en fabrieken. Ook het kacheltype ‘Belgische Staat’ werd geproduceerd.
Op zijn hoogtepunt stelde het bedrijf ongeveer 140 mensen tewerk. De onderneming speelde daarmee een belangrijke rol in de lokale industriële ontwikkeling van Sint-Truiden.
Emile Brialmont was de schoonvader van Albert Vanslype. Zijn zonen Albert Brialmont-Palms (1917-1986), burgerlijk ingenieur, en Gerard Brialmont (1921-1999) zetten de activiteiten later voort. Vanaf 1968 legden zij zich, samen met overnemer Dassel uit Duitsland, toe op het gieten van stoven en allerlei sier- en gebruikselementen. Tot het assortiment behoorden onder meer haardplaten, haardijzers, poorten, hekken, lantaarnpalen, brievenbussen, sierkanonnen en gietijzeren grafkruisen. Voor het vervaardigen van bepaalde gietstukken werden zelfs oude houten karrenwielen opgekocht en als model gebruikt.
Het voormalige bedrijfsterrein op Stayerveld kreeg uiteindelijk een nieuwe bestemming. In 1986 werd het verkocht aan de sociale huisvestingsmaatschappij Nieuw Sint-Truiden.
De aanwezigheid van de onderneming is op historische foto's nog terug te vinden op verschillende plaatsen in Sint-Truiden, onder meer in de Gazometerstraat (ca. 1918), de Houtstraat (ca. 1933) en aan Tramstraat 1 (ca. 1938).