Christina de Wonderbare

Christina de wonderbare (ook l'Admirable, the Astonishing, Mirabilis)

Cynthia Large, 2002 - St. Christina de\nverbazingwekkende Eitempera en olieverf op hout in een mahoniehouten frame, met\nmarqueterie lettersOnderschrift bij deze foto


Zij werd in 1150 geboren te Brustem bij Sint-Truiden. Ze stierf in het Sint-Catharinaklooster te Sint-Truiden.

Over haar bestaat, zoals haar naam al aangeeft, bestaat een wonderlijke legende.

Christina de Wonderbare werd circa 1150 geboren in Brustem, als jongste dochter van respectabele ouders. Na de dood van haar ouders bleef ze bij haar twee zussen wonen te Brustem. Samen besloten ze om een vroom leven te leiden, om hun leven in te delen volgens een religieuze levenswijze. De oudste zus wijdde haar leven aan het gebed, de tweede zus zorgde voor het huishouden en Christina kreeg de taak herderin te zijn. Zij zou het vee naar de weide leiden en bewaken. Christina was het merendeel van de tijd alleen in de velden, ontwikkelde mystieke gaven en werd opgezocht door Christus. Op haar twee- of drieëndertigste was ze totaal uitgeput, ziek en stierf ze. De dag na haar dood vond haar begrafenis plaats. Maar tijdens de heilige Mis, die voor de zielsrust van Christina werd opgedragen, richtte het lichaam zich opeens rechtop uit de open lijkbaar. Haar lichaam steeg als een vogel omhoog en ze ging bovenop één van de dwarsbalken zitten. Na de mis vroeg de priester aan Christina om weer naar beneden te komen. Ze gehoorzaamde en ging samen met haar zus naar huis. Christina vertelde dat, nadat haar ziel haar lichaam verlaten had, ze door engelen geleid werd naar een donkere plek waar mensen werden gestraft voor hun zonden. Hier bevonden zich ook mensen die zij gekend had en die op deze schrikwekkende plek gemarteld werden. De engelen legden haar uit dat ze zich in het vagevuur bevonden, waar de bekeerde zondaars hun straf moesten uitboeten. Daarna namen de engelen haar mee naar de hel, waar de martelingen nog erger waren dan in het vagevuur. Tenslotte namen de engelen haar mee naar de hemel, naar de troon van God. En God stelde haar voor de keuze: of ze zou direct in de hemelse heerlijkheid worden opgenomen, of ze keerde terug naar de aarde, waar ze de rest van haar leven zou lijden voor de zondaars in het vagevuur, echter zonder schade aan haar lichaam te ondervinden. Daarbij zou God haar ook dingen laten doen die het menselijk verstand te boven gingen. Ze zou door haar voorbeeldig leven mensen bekeren en dan later opgenomen worden in de hemel. Christina besloot voor de tweede optie te kiezen en haar ziel kwam terug naar haar lichaam. Zo stond ze op uit de dood. Tijdens een eerste fase na haar terugkeer op aarde, keerde ze zich af van de mensen, omdat ze hun geur niet kon verdragen. Ze vluchtte weg van haar omgeving, ze verstopte zich in hoge bomen en op afgelegen plaatsen. Zij koos voor vrijwillige boete en lijden, ze verdroeg honger en dorst, trotseerde koude en warmte. Ze vloog naar de toppen van bomen en daken en voedde zich met de melk uit haar maagdelijke borsten om te overleven. De meeste mensen, onder wie ook haar zussen, dachten dat ze bezeten was door demonen, en probeerden haar gevangen te nemen en op te sluiten. Haar boeien braken echter open door de hulp van God en zo kon ze terug ontsnappen. Meteen ging haar afwijkende gedrag verder. Ze kwelde zichzelf door in brandende ovens te kruipen, of door afwisselend in kokend heet en ijskoud water te springen. Ze onderging folteringen en hing soms dagenlang samen met misdadigers aan de galg. Ze kroop in graven van pas overleden mensen en betreurde de zonden van de mensen. Sommige nachten joeg ze de honden van heel de stad Sint-Truiden op, dan weer liet ze zichzelf opjagen door de honden. Ze liep tussen doornstruiken door totdat haar volledige lichaam verwond was en hevig bloedde. Bij al deze lichamelijke kwellingen schreeuwde Christina van de pijn, alsof ze in barensnood was. Soms stond ze op palen of vloog ze naar de toppen van de bomen en zong dan psalmen.

Wanneer ze in deze contemplatieve toestand verkeerde, was haar lichaam als was en rolde ze zich op als een bal. Haar zussen en vrienden schaamden zich om haar gedrag en bleven haar achtervolgen om haar opnieuw gevangen te kunnen nemen. Ten einde raad vroegen ze aan een beul om haar te vangen. Hij sloeg haar neer met een knots, waarbij hij haar been brak. Dan nam hij haar mee naar haar zussen, die Christina opnieuw boeiden en in de kelder op sloten. Haar gebroken been werd door een dokter verzorgd. Tevergeefs echter, zodra de dokter weg was, trok ze het verband af, want Jezus Christus zou haar wel genezen. En er gebeurde inderdaad een mirakel. Uit Christina's borsten vloeide olie, waarmee ze haar wonden verzorgde en haar droog brood week maakte. Hierdoor zagen haar zussen eindelijk in dat ze niet bezeten was door de duivel, maar dat het God was die haar deze dingen liet doen. Ze vroegen Christina om vergiffenis en lieten haar vrij. De geestelijken van Sint-Truiden baden tot God dat haar wonderdaden door de mensen niet meer verkeerd zouden geïnterpreteerd worden, en dat haar wonderen wat gematigder zouden worden. Op een dag kreeg Christina ineens de drang om naar Wellen te gaan. In de kerk vond ze het open doopvont, waar ze zich helemaal in onderdompelde. Na deze gebeurtenis werd ze rustiger, ze nam een minder ongewone levenshouding aan. Christina had de gave dat ze van elke dode wist of hij of zij naar de hel, het vagevuur of de hemel ging. Ze legde de mensen ook uit wat het vagevuur was. En ze had nog meer profetische gaven. Daarnaast had ze nog verschillende extatische ervaringen. Hierbij werd ze ‘opgenomen in de geest’ en bewoog haar lichaam als een tol en klonk er een mystiek gezang tussen haar keel en borst, waarvan de melodie en de woorden niet te begrijpen of te imiteren waren. Het leek wel op het gezang van engelen. Christina was tijdens haar leven nooit verbonden aan een bepaalde regel of aan een klooster. Ze bezocht wel regelmatig het Sint-Catharinaklooster in Sint-Truiden. Daarnaast bracht ze ongeveer negen jaar door in Borgloon. Daar leefde ze van 1214-1223 bij de kluizenares Jutta. Bovendien had ze goede contacten met de graaf van Loon, Lodewijk II. Ze wees hem op zijn zonden en gaf hem raad. Toen hij op sterven lag, liet hij haar bij zich roepen en biechtte al zijn zonden op aan haar. Na zijn dood, nam Christina de helft van zijn straf, die hij in het vagevuur moest ondergaan, over. De graaf van Loon was niet de enige die door Christina vermaand werd, ook priesters die gezondigd hadden, werden berispt. Ook was Christina voor andere een raadsvrouw. Zo raadde ze Lutgardis aan om naar de cisterciënzerinnenabdij in Aywières te gaan.

Tijdens de laatste fase van haar leven, verbleef Christina veel op afgelegen en eenzame plekken en wanneer ze onder de mensen kwam, had men angst voor haar verschijning. Ze leek meer op een geest, die al zwevend voortbewoog. Haar ziel leek een gevecht te voeren met haar lichaam. Op een dag hoorde Thomas, een priester uit Sint-Truiden, Christina een dialoog opvoeren tussen haar ziel en haar lichaam, waarbij ziel en lichaam elkaar afwisselend afstootten en weer aantrokken. In haar laatste levensjaar at ze weinig, treurde veel en schreeuwde ze om de zondigheid van de mensen. Toen ze ziek werd, vroeg ze aan Beatrijs, een non uit het Sint-Catharinaklooster, of ze haar een bed wou klaarmaken en vroeg ze om de ziekenzalving. Beatrijs wou dat ze nog enkele vragen beantwoordde, maar Christina stierf voordat ze hierop antwoord had gegeven. Beatrijs klaagde luid en gebood Christina terug te keren om antwoord te geven. Christina keerde voor een tweede maal terug uit de dood en berispte Beatrijs, die haar in haar rust had gestoord. Toch beantwoordde ze alle vragen van Beatrijs vooraleer ze voor een derde en laatste maal stierf. 



Afgebeeld als benedictijnernon met vleugels, als verwijzing naar haar ontstijging van het stoffelijke (op foto links in het gezelschap van de H. Lutgardis tgv de tentoonstelling in kader van de Trudofeesten 2012 in de begijnhofkerk)

Haar gebeente wordt vereerd (in 1231 naar Nonne-Mielen en vanaf 1836 bij de redemptoristen)





Medaille als afweer tegen veeziekten. 

Feestdag 24 juli. 

Levensbeschrijvingen o.m. door Thomas van Cantimpré en minderbroeder Geraert.

Schilderijen door Abraham van Diepenbeek en Georges Baltus. 


Glasraam van Gust Landon, 1902 

in de Onze-Lieve-Vrouwerkerk te Sint-Truiden. 











Gedenkplaat kapel Hameistraat Brustem. 










Naam gegeven aan scouts en gidsengroep Sint-Truiden Centrum, fanfare Brustem…
Straatnaam Brustem
Songtekst Christina the Astonishing door de Australische popzanger Nick Cave in 1992.
Medaille als afweer tegen veeziekten.



Info: Jo Van Mechelen.
Lees: P. CLERINX, Sint-Christina herdacht bij de 700ste verjaring van haar zalig afsterven 1224-1924, Sint-Truiden. G. Moreau, impr. 1924; Jules FRERE, St-Christina de Wonderbare, in Limburgsche volkskunde, 2, Hasselt, 1928, p. 172-177, folklore; Bernardus M. RUYS, Beknopte levensschets van de H. Christina de Wonderbare, (Don Bosco’s lees-serie, 29), Ledeberg-Gent, impressum 1942; Jozef BOON, Het spel van Sinte Christina de Wonderbare. Een legendespel in drie bedrijven, (Opbouwen. Actie en uitgaven voor toneel, 71), Brugge-Brussel-Amsterdam: De Kinkhoren – Leuven: Bibliotheca Alfonsiana, 1950; Petrus CLERINX (red.), Christina de Wonderbare. Gedenkboek 1150-1950. Studiën en essais, Leuven: bibliotheca Alfonsiana, 1950, met voorwoord door A. Deneys; J. KEUNEN, in NBIOW, 3, 1968, kol. 149-152; Jan DESCHAMPS, Een Middelnederlandse prozavertaling van de “Vita Sanctae Christinae Mirabilis” van Thomas van Cantimpré, in HBBRUST, p. 69-103 en Antoon VAN STEENWEGEN, In het voetspoor van de Wondere Christina, in HBBRUST, p. 367-396; Ivo SCHUURMANS, De Latijnse en Middelnederlandse levensbeschrijvingen van Christina de Wonderbare (+1224). Synoptische uitgave en kritisch commentaar, Leuven: KU, 1989; Katrien KUBBEN, De meest wonderbare van allen: lichamelijke vrouwenmystiek en spanningen in de Vita van Christina de Wonderbare van Sint-Truiden, verh. Vrouwenstudies, Antwerpen: UIA, 1998; Barbara NEWMAN, Thomas of Cantimpré, Brepols, 2008; Jennifer BROWN, Three women of Liège, Brepols, 2009; Inez SCHRAEPEN, Christina de Wonderbare. Een vergelijking van de middeleeuwse mystiek met het sjamanisme, Leuven: KU, 2009; Jo VAN MECHELEN, Christina de Wonderbare, reeks voorstudies, documenten en sprokkelingen, Sint-Truiden. Erfgoedcel. Werkgroep Christina, 13 dln., 2006-2010; Suzan FOLKERTS, Voorbeeld op schrift. De overlevering en toe-eigening van de vita van Christina Mirabilis in de late middeleeuwen, (Middeleeuwse studies en bronnen, 124), Hilversum: Verloren, 2010; Jan GERITS, Christina, in Heemkunde Limburg, 2011; Patrick DE RYNCK (red.), Jo VANMECHELEN, Camille VANLANGENDONCK en Jozef SMEESTERS, Christina en Lutgardis. Het verhaal van twee mystieke vrouwen in Sint-Truiden, Sint-Truiden: Erfgoedcel en Werkgroep Christina, 2012; Reinhilde PIETERS en Paul VANMARSENILLE, Sint-Trudo, Heilige Eucherius, Heilige Christina de Wonderbare. Tentoonstelling in de schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Sint-Truiden, Deel: Vaste collectie, Sint-Truiden: schatkamer Onze-Lieve-Vrouw, 2014. 


Erfgoud
ONTDEKKING VAN DE DAG

Expo 1907

De ‘Expositie’

De ‘Expositie’ in 1907 was hét supermoment voor Sint-Truiden. Sinds 1860 had het de eerste plaats in Limburg moeten afgeven aan Hasselt. Maar de provinciegouverneur kwam uit Sint-Truiden en een ambitieus team wilde hier de Luikse tentoonstelling van 1905 overdoen. 




In 1907 volgde Sint-Truiden het Luikse voorbeeld van 1905 en hield een provinciale tentoonstelling op een lange strook van de braakterreinen bij het spoorwegstation tot en met het stadspark. Een brug leidde de bezoekers over de Diestersteenweg. De volkswijk De Hel had plaats gemaakt voor het ‘klein stadspark’. Bij de paviljoenen vielen vooral het Paleis de Mijnen en het bouwsel van de steenkoolmijnen van Dahlbush op. De steengroeven van de Ourthe lieten een gedenkzuil oprichten en de oude Parkschool herbergde veilig de tentoonstelling van Oude Kunst.

Een stadsgenoot, baron Henri de Pitteurs-Hiegaerts was sinds 1894 provinciegouverneur en in augustus 1901 werd in Limburg steenkool ontdekt, waar dezelfde familie belangen had. Dokterszoon en bankier Leon Debruyn nam het voortouw. Zijn zwager was notaris Nagels. Ook de ondernemers Baltus, koloniale waren, en Claes-Lekens, bouwpromotor, waren ambitieus. Het organisatiecomité bood een model arbeiderswoning aan het Bureel van Weldadigheid (OCMW), die nog steeds bestaat in de Spoorwegstraat.




Op 28 juli 1907 kon de breedgebaarde, al oudere koning Leopold II met zijn dochter prinses Clémentine vanop de tribune de trekpaarden van Clément Peten uit Velm bewonderen. Ook prins Albert bezocht de tentoonstelling. Op 22 december was het hoogfeest van de belle époque en van de durvende ondernemers in Sint-Truiden voorbij. Meer dan een half miljoen bezoekers en ‘speelreizigers’ – de toenmalige benaming voor toeristen - bezochten expo en stad. De bebouwing in de al geplande nieuwe stationswijk kon starten. Van de expo restte later enkel nog de prestigieuze Prins-Albertlaan en de Expositiestraat, in 1930 vervangen door ‘Astrid’straat. Een gedenksteen staat ingemetseld in een hekpaviljoen van het stadspark. 

Van deze ‘wereldtentoonstelling’ voor de Truienaar bleven talrijke prentbriefkaarten en een pas in 1910 rijkelijk uitgegeven ‘Guldenboek’ bewaard. Uitzonderlijk ook persoonlijke toegangskaarten met portretfoto.


Gedenksteen als herinnering aan de Expo, gemetseld in één van de ingangspaviljoentjes van het stadspark



Kathleen DIGNEF, De provinciale tentoonstelling van 1907 te Sint-Truiden: de ‘Wereldtentoonstelling’ voor de Truienaar, in: Historische bijdragen over Sint-Truiden en omgeving, Sint-Truiden: GOKSint-Truiden. 2006, p. 115-126.