Het Torenhuis

Zogenaamd "Torenhuis", mogelijk vroeger de woning der grootmeesteres. Diephuis van twee traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen), aan de linkerzijde geflankeerd door een octogonaal traptorentje met ingesnoerde spits (leien) en een lange ingangsvleugel van één bouwlaag onder zadeldak (nok evenwijdig aan straat, Vlaamse pannen); door middel van muurankers gedateerd 1619. Beschilderd, bakstenen gebouw op een gepikte plint. Gesmeed ijzeren muurankers. Gevelsteen met wapenschild van de familie van Alsteren, initialen A T en jaartal ..19. De puntgevels van het woonhuis zijn afgewerkt met aandaken en vlechtingen. Rechthoekige bakstenen vensters met recent kalkstenen (?) kruis; dubbele ontlastingsboogjes van een rollaag en een platte laag; twee houten zolderluiken in de geveltop. Het traptorentje is voorzien van kleine, houten kozijnen. In de ingangsvleugel, verankerde rondboogdeur in een beschilderde, natuurstenen omlijsting met negblokken en kwarthol profiel. Rechthoekige, houten vensters in de achtergevels; ontlastingssysteem als in de voorgevel.
Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Begijnenhuis Torenhuis [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/23026 Geraadpleegd op 12-11-2019
In het bekken van de Melsterbeek volgen de beken eerst zuid-noord het dalend reliëf van ca. 100 naar 35 meter boven zeespiegel. Net noordelijk van het stadscentrum van Sint-Truiden buigt de Melsterbeek zelf naar het noordwesten en ontvangt de Cicindria in Melveren en de Molenbeek in Runkelen. Ze loopt dan een tijdje zij-aan-zij met de Gete en vloeit samen bij Donk. Via Demer, Dijle en Rupel gaat het richting Schelde.

De naam ‘Melster’ komt waarschijnlijk van het woord malter of mout, maar in de lokale volksmond is het gewoon ‘molenbeek’ als grootste waterloop. Ze ontspringt in Heiselt bij Jeuk, vlakbij de taalgrens. Ze is 33 kilometer lang. Waterlopen schuren beekvalleien uit en de kleilagen onder de ijstijdleem in Vochtig Haspengouw doen talrijke bronnetjes dagzomen. Langs de oevers van de Melsterbeek groeide een ketting van dorpen met omgrachte kastelen en zelfs abdijen in Nonnemielen en Terbeek. Haar stroomkracht deed graanwatermolens draaien. In Sint-Truiden zijn dat de dorpen Aalst, Brustem, Ordingen, Zepperen, Melveren, Metsteren en Runkelen.

De beken kennen in deze streek een vrij hoog verval met piekdebieten. Voor de waterbeheersing waren wachtbekkens nodig, o.m. voor de Melsterbeek in Aalst, Ordingen en Bernissem. De natte gronden in de beekvalleien waren in de 19de-20ste eeuw met waterzuchtige Canadapopulieren beplant, nuttig voor klompen, minder duurzaam timmerwerk en kisthout.


Een vistelling in 2012 bij Metsteren leverde volgende soorten op: driedoorn stekelbaars, tiendoorn, riviergrondel, bermpje en blauwband. De molenwatervallen zijn wel een drempel voor hun migratie voor paai, rust en voedselgaring, onderzoek Stef Cools.
