Molen en hoeve Hoog Molen

Voormalige molen en hoeve zogenaamd "Hoog Molen" met losstaande bestanddelen, met kern uit de eerste helft van de 17de eeuw, doch verschillende aanpassingen; ligging aan de Melsterbeek. De hoeve ligt wat afgelegen ten opzichte van de straat, en is er met een berkendreef mee verbonden; de ingang van de dreef wordt gemarkeerd door twee beuken. Aan weerszij van de dreef bevinden zich boomgaarden, die door ligusterhagen zijn afgesloten.

Witgekalkte bakstenen gebouwen met gepikte plinten onder zadeldaken (Vlaamse pannen), gegroepeerd rondom het onregelmatig gevormde erf.

Ten zuiden, woonhuis (nok evenwijdig aan straat) van vijf traveeën en één bouwlaag, door middel van muurankers op de voorgevel gedateerd 1617. Aangepaste, rechthoekige vensters in een gecementeerde omlijsting; het uiterst rechtse venster was oorspronkelijk waarschijnlijk een drieledig bolkozijn: de natuurstenen omlijsting bleef gedeeltelijk bewaard, evenals drie ontlastingsboogjes van een rollaag en een platte laag; het tweede venster heeft onder de cementering zijn natuurstenen omlijsting met afgeschuinde neg behouden; ontlastingsboog van een rollaag en een platte laag. Rechthoekige deur met bovenlicht in een houten omlijsting. Aangepaste muuropeningen in de achtergevel. Getrapte zijgevels met mergelstenen schouderstukken; kleine, rechthoekige venstertjes met afgeschuinde, mergelstenen posten met negblokken en houten lateien, en een houten kozijntje; ontlastingsboogjes van een rollaag en een platte laag. Gedeelten van mergelstenen hoekbanden. Aangebouwde varkensstal onder lessenaarsdak tegen de oostelijke zijgevel.

Ten westen, stal van vier traveeën, schuin gelegen ten opzichte van het woonhuis. De voorgevel heeft aangepaste muuropeningen, op een rechthoekige deur in een houten omlijsting na. Tegen de achtergevel is een serre aangebouwd. Zijgevels met aandak, vlechtingen, top- en schouderstukken; ronde uilengaten; aanbouwsel onder lessenaarsdak tegen de noordelijke zijgevel.

Ten oosten, dwarsschuur van drie traveeën, naar achteren toe vergroot (cementblokken), onder mank dak. Perelaar tegen de voorgevel. Getoogde, bakstenen poort in een risaliet. Aanbouwsel van cementblokken onder lessenaarsdak tegen de zuidgevel.


Bron     : Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.
Auteurs :  Schlusmans, Frieda
Datum  : 1981

Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Molen en hoeve Hoog Molen [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/22974 Geraadpleegd op 12-11-2019

 

ONTDEKKING VAN DE DAG

Berenmutsen op zolder

Berenmutsen op zolder


Een kaartje leggen in oorlogstijd kan je je kop kosten. Dat overkwam een eskadron Belgische ruiters op 17 augustus 1914 in Bernissembos . Dit bos was in 1900 iets zoals Nieuwenhovenbos  nu: een geliefd wandeldomein met een drankgelegenheid. De boerenherberg van Truike Menten  lag bij de Keelstraat aan de bosrand. De eiken, waaronder de kolossale Koning en Koningin, waren al enkele jaren gekapt, maar Fons Lassaut, weduwnaar van Truike, bakte er nog altijd eieren met hesp.

Onderschrift bij deze foto

De Eerste Wereldoorlog was nog geen twee weken aan de gang. De Gidsen waren de heren van het Belgisch leger en bleven als verkenningstroepen meestal uit het echte strijdgewoel. Bij de officieren wemelde het van blauw bloed en zelfs de gesabelde soldaat-ruiters kwamen uit gegoede families. Soms ook wel waren het boerenjongens die gewend waren met paarden om te gaan en niet te zwaar wogen. Je herkende de Belgische Gidsen aan hun paarse broek, hun groene vest en een zwarte berenmuts of ‘kolbak’ met gele wollen knop vooraan. Tegenwoordig is de muzikale muziekkapel van de Gidsen ook nog in paars en groen gekleed.

De Gidsenregimenten zaten met de rest van de Belgische ruiterij verschanst achter de Gete te wachten op de Duitse invasie. Commandant baron de Wykerslooth de Rooyestein werd met heel zijn eskadron, zo’n honderdtwintig man, vooruitgestuurd. Ze moesten de doortocht van de Duitse hoofdmacht uit Tongeren naar Sint-Truiden bespieden. De groep kreeg duiven mee als postbodes. Het roemrijke terugslaan van de Duitse ruiterij bij Halen enkele dagen voordien was een enorme opkikker geweest. Toch waren mannen en paarden murw: twee weken kamperen kruipt in je kleren. Het was de mooiste zomer sinds jaren en de hitte drukte. De ruiters stegen dan ook af in de dekking van Bernissembos en de herberg Menten. Enkelen rustten, sommigen dronken en kaartten, en anderen gingen in de buurt fruit kopen. De commandant schreef – naar eigen zeggen achteraf – zijn rapport tijdens de rustpauze.

Onderschrift bij deze foto

Plots brak de hel los: een compagnie Duitse voetsoldaten overviel de Gidsen en schoot op alles wat bewoog. Die Duitse ‘Leibgrenadiers’ in veldgrijs uniform waren ’s middags toevallig ingekwartierd bij de Paters op Terstok in Zepperen. Ze wilden zich eigenlijk gaan wassen na hun lange voetmars door het stof der wegen. Een oude korporaal, uitgezet als schildwacht, had de rustende Belgen bemerkt en sloeg stilletjes alarm. Eerst wou niemand hem geloven, maar enkele jonge sabelslepers waren tuk op vechten en wilden hun eerste echte schoten in de oorlog lossen. Het groepje Gidsen kortst bij de herberg werd overvallen en uitgeroeid. De oude Fons werd met bajonetsteken afgemaakt en zijn café ging in de vlammen op. Baron de Wykerslooth kon de volgende morgen terug over de Gete terugkeren met nog maar dertig ruiters zonder hun paarden.

Op het kleine slagveld bij Bernissembos bleven dode paarden, ruiters en berenmutsen achter. Pas uren later durfden de omwonenden gaan kijken. Enkele gezichten van gesneuvelden waren al aangevreten door uitgebroken varkens. De Assumptionistenpaters begroeven de dode landgenoten ter plekke. Pas de volgende winter kregen ze een plechtig graf op het kerkhof van Zepperen. Nog in 1994 zette de Remacluskring een herinneringsplaatje in de Keelstraat.

En de berenmutsen? Die werden als souvenir op de kloosterzolder verstopt. Ze doken af en toe terug op bij de ‘Ezels’, namaakruiters van de Roosbeek, een volksstraat in Zepperen. Met berenmuts, getekende snor en nepbenen naast hun bretellenpaard reden ze in de jaren 1930 en 1940 in elke stoet van het dorp, of het nu de inhuldiging van de nieuwe betonweg was of de inhaling van een pastoor. De ene zijn dood is de ander zijn vermaak…

Gedenkplaatje op het slagveld, Keelstraat



Kijk: www.zepperen.be/gevecht-1914/ en www.zepperen.be/ooggetuigen-gevecht-1914