Breedhuis van zes traveeën en twee bouwlagen onder mank, gebogen zadeldak (Vlaamse pannen), door middel van muurankers gedateerd A 1723; Maasstijl.
Bakstenen gebouw met een witgekalkte gevel op een gepikte plint; gesmeed ijzeren muurankers; daklijst op uitgesneden, houten modillons. Kalkstenen kloosterkozijn met sponningbeloop en duimen aan het benedenlicht. Verankerd rondboogdeurtje in een rechthoekige, kalkstenen omlijsting met negblokken; kalkstenen bolkozijn met negblokken als bovenlicht. De achtergevel heeft twee kalkstenen kruiskozijnen en twee dito kloosterkozijnen op de benedenverdieping; ontlastingsboogjes (gekoppeld voor de kruiskozijnen) van een rollaag en een platte laag; gelijkaardige, doch houten vensters, thans gerestaureerd, op de bovenverdieping. Rechthoekige, houten deur met gedicht houten bolkozijn als bovenlicht, en een ontlastingsboog van een rollaag en een platte laag. Zijgevel met aandak en vlechtingen.
Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Hoekhuis gedateerd 1723 [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/23043 Geraadpleegd op 12-11-2019

Te Engelmanshoven heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:
'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',
dan kwamen ze uw werk doen. '
Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.
'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.
Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.
'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'
Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:
'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!'
en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.
Opgetekend door F. Beckers in 1948