Sint-Eucheriuskapel

Gelegen op het zogenaamde "Kapelhof" met nabijgelegen miraculeuze bron. Gedurende de maand mei, bedevaart ter ere van de Heilige Bertilia van Maroulx, wiens miraculeus beeld in de kapel vereerd wordt. Brustem, Rijkel en Zepperen vallen onder de bedevaart naar de "Drie Gezusters", de Heiligen Bertilia, Eutropia en Genoveva.

Maasromaanse zaalkerk uit de 12de eeuw; drie traveeën met rechthoekig ten oosten gelegen koor met halfronde absis en zuidelijk gelegen sacristie.

Ruwbouw van tufsteen in regelmatig verband; spijtige herstelling van portaal en voorgevel van grijze baksteen in 1966. De kapel werd circa 1880 grondig "gerestaureerd" met volledige wederopbouw van sommige gedeelten onder leiding van A. van Assche.

Beklede westelijke puntgevel met portaal: klimmende boogfriezen en roosvenster tussen de hoeklisenen; portaal met ingeschreven rondboogdeur met archivolten van tufsteen. Kleine zadeldaktoren op de westelijke puntgevel. Noord- en zuidgevels met boogfriezen tussen de hoek- en middenlisenen die op een lage sokkel staan; rondboogvensters met afzaat. Oostelijke puntgevel met aandak en schouderstukken als afsluiting van het schip. Rechthoekige ten zuiden gelegen sacristie met rondboogvenster in de puntgevel (schouderstukken en aandak).

De merkwaardige halfronde koorsluiting met houten tandlijst wordt geritmeerd door vier pilasters met blinde bogen; boven de lage plint, hoge sokkel, schuin oplopend tot halve hoogte van de gevel en afgewerkt met een afzaat. De pilasters volgen deze wandindeling en vertonen op circa twee derde van hun hoogte een knik. Zadeldak op schip en koor, halve koepel boven de absis (kunstleien).

Het tot voor 1880 barokke interieur werd door Van Assche in neoromaanse stijl aangepast: sobere witte wanden met houten schouderlambrisering in het schip, overkluisd met houten tongewelf (twee kopbalken). Gordelboog op imposten tussen schip en koor. Kruisribgewelf in het koor en halve koepel met ziende kap voor de halfronde absis.

Mobilair: Schilderij op doek met voorstelling van Sint-Bertilia, boven rondboog tussen schip en koor (18de eeuw); zes votiefportretten, doek, tegen de wanden van het schip (18de eeuw). Sint-Bertilia-beeld, gepolychromeerd hout (18de eeuw).


Bron     : Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.
Auteurs :  Schlusmans, Frieda
Datum  : 1981

Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Sint-Eucheriuskapel [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/23071 Geraadpleegd op 12-11-2019

 

ONTDEKKING VAN DE DAG

De legende van de "Kommeduur"

De Franse bezetter had vanaf 1795 alle kerkelijke bezittingen vogelvrij verklaard. De openbare verkoop ervan lokte ondernemers aan. Zo werd de commanderij Bernissem van de Duitse ridderorde opgekocht door de Sely-Longchamp en schoonzoon Hyacinthe de Chestret startte er in 1839 een bietsuikerfabriek. In 1880 was er een zware brand en agronoom Jules Cartuyvels herbouwde de fabriek, die tot in 1913 bleef werken. 

In de volksmond bleef de herinnering aan de brand bewaard, geromantiseerd voor het stedelijk infoblad 'Hier en Nu' in de jaren 1965-1976 door landbouwleraar en stadssecretaris Georges Vandenborne, die afkomstig was van Bernissem. De 'Commeduur' zou later door hem nog opgevist worden in de carnavalsorde 'van de Commeduur' en in de 'Commanderie' van de fruitteeltlobby. Roger Collart bundelde diverse verhalen van Vandenborne in zijn cursus volksverhalen en legendes. 


“Uchtern” zuchtte de totaal versleten vrouw gelaten, “dat wordt niet meer gedaan. De mensen hebben geen tijd meer om avond aan avond gedurende de lange wintermaanden dicht bijeen rond het haardvuur te kruipen. De televisie heeft de legendes verjaagd. Vroeger, toen ik jong was, vertelde mijn grootmoeder nog al die oude verhalen. Eerst verplichtte ze iedereen geduldig in de vlammen te staren, wel een uur lang. Er werd weinig gesproken. De mannen gaven de brandewijn door. De vrouwen naaiden tevreden omdat het klein grut weer voor een paar uren verzadigd was aan aardappelen met melksaus. Vroeger…” Haar blik richtte zich weer op de vlammen, als zocht ze daarin het antwoord op die onbegrijpelijke beschaafde, kille 20ste eeuwse wereld, en dat antwoord kwam… We tuurden nu allemaal in de vlammen, we wilden zien wat de oude vrouw zag…

“Kent ge de hoeve van Bernissem”? Ze zweeg even maar niemand onderbrak haar. We zochten het antwoord van die kronkelende slangen. “Jaren geleden kon je de hoeve al van ver zien liggen als je in de richting van Terbiest wandelde. De hoge bomen piekten als een beschermende haag rond de hoeve, maar dat belette niet dat hier en daar vlekjes verweerd baksteen tussen de takken glinsterden. Ze had er altijd al gestaan zolang als ik leefde, zo langs als mijn grootmoeder leefde. We wisten wel dat de Tempeliers er eeuwen en eeuwen geleden hun “kommeduur” strenge gehoorzaamheid verschuldigd waren. Bernissem was een kommanderij van de Teutoonse ridderorde, een van de vele. En de kommeduur, de “comthur” noemden de ridders hem, was geliefd bij zijn mensen en bij de bevolking. De jaren regen zich aaneen tot een snoer van rustige eeuwen en toen gebeurde het…” Eén vlam spetterde plots hoog op, het hout knetterde en wierp gensters de kamer in. Gefascineerd bleven we de vlammen fixeren.

“De Fransen kwamen”. Even keek de oude vrouw op. “Er zijn er velen geweest, maar toen mijn grootmoeder nog een jonge stevige vrouw was (ze moet toen vijftien of zestien jaar geweest zijn) waren de Fransen in het land. Napoleon wierp heel Europa aan zijn voeten. Het ene decreet na het andere ontnam onze mensen hun vrijheden. Ook de Truiense ridderorde werd ontbonden. Bernissem werd een suikerfabriek. De boeren uit de omgeving meden haar zoveel mogelijk want Bernissem stierf voor hun ogen”.

De oude vrouw leek voor onze ogen in elkaar te schrompelen. “De fabriekslui zorgden niet voor het landgoed. Bernissem werd niet met liefde behandeld. Voor hen was de hoeve slechts een opeenhoping van bakstenen en pannen, toevallig bruikbaar als fabriek. Zo een houding vroeg om ongelukken. Toen mijn grootmoeder zowat twintig jaar was, sloeg de brandklok op zekere nacht alarm. In hun lange onderbroeken holden de mannen naar de plaats van het onheil: van ver zag je het vuur al boven de bomen uitslaan. Bernissem werd door de vlammen verwoest. Ook de vrouwen renden naar de hoeve toe en de kinderen sukkelden er achter aan. Met emmers, kommen, ketels en pannen werd gezeuld om te redden wat er te redden viel. Te laat echter… het ogenblik kwam dat de toegeschotenen het moesten opgeven, machteloos stonden ze daar toe te kijken hoe de eeuwenoude hoeve onder hun ogen tot puin verviel, tot plotseling… een bloedrood waas zich verspreidde op de plaats waar voorheen de kapel stond. Er ging een rilling door het publiek maar toch bleven ze aan de grond genageld staan. Voor hun ogen ontplooide het bloedrode waas zich tot een prachtig misgewaad en boven het misgewaad verschenen heel vaag het hoofd en de gelaatstrekken van de laatste kommeduur. Toen zagen ze ook zijn handen, twee lijkwitte handen in een zegenend gebaar boven een kelk gestrekt. De kommeduur las de mis ! De kommeduur nam wraak!

De baldadigheid van Napoleon was eindelijk gewroken! Vol eerbied volgden de omstaanders de plechtigheid. Toen het vuur in de ruïne uitdoofde, verlieten ze in alle stilte de plaats van het onheil. De kommeduur kon voor eeuwig rusten…”



Lees: Roger COLLART, Volksverhalen en legenden, cursus toeristische gids, Sint-Truiden: stadsbestuur, 1992; Veerle JACOBS, Bietsuiker. Het 19de-eeuwse Haspengoud, in Sint-Truiden ingekaderd 1830-1914. Tentoonstellingen Sint-Trudofeesten 1998, Sint-Truiden: Sint-Truiden 1300 vzw., 1993, p. 160-167, met catalogusnotities door Willem DRIESEN, p. 167-174.