Herenboerenparkje

Herenboerenparkje uit de 19de eeuw met hekwerk en hoge bomenkruinen die mede het karakter van de plek in het dorpscentrum bepalen.


Genomen door Pauwels, Oswald op 01-01-2003

Het herenboerenparkje uit de tweede helft van de 19de eeuw, op de hoek met de Davidstraat en bij een huis uit 1810, vergroot kort vóór 1881, bezit markante bomen. De voortuin aan het plein, heeft een recent gerestaureerd, eenvoudig smeedijzeren spijlenhek tussen stijlen op een laag bakstenen muurtje met afgerond beloop. De centrale hekpijlers zijn verdwenen. Twee imposante geknotte, uitgegroeide Noorse esdoorns (Acer platanoides) (300cm) en recente aanleg met bolesdoorn (Acer platanoides 'Globosum').

Aan de Davidstraat, is er een secundair ingangshek naar de voortuin op een lage bakstenen plint: hekspijlen tussen fraaie gietijzeren stijlen met bolbekroning. In het verlengde loopt een hogere bakstenen tuinmuur met een poorthek tussen vierkante bakstenen hekpijlers met nieuw gepleisterde gesteelde uibekroning naar het parkje achter het huis.

Treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendula'), naast gewone esdoorn met bont blad (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii') (230cm stamomtrek, standaard gemeten op 150 cm hoogte), zwarte els met ingesneden blad (Alnus glutinosa 'Imperialis') (128cm), bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') (310cm), (Fraxinus excelsior 'Pendula') (77cm), hangende zilverlinde (Tilia petiolaris) (354cm).

Ten zuiden hiervan en ter plaatse van de gesloopte hoevegebouwen, werd een nieuwe tuin met tuinkamers aangelegd, ontworpen door Reynders uit Zonhoven in 1989 en verfraaid met een gietijzeren Medici-vaas met oren op dito sokkel van de gieterij Brialmont in Sint-Truiden. Aan de straatkant bleef deels de gevel van de gesloopte dwarsschuur als nieuwe tuinmuur overeind. Ernaast, het inrijhek naar het erf tussen classicistische hekpijlers van baksteen. Ten westen, ligt de moestuin, partieel in bedrijf.


Bron     : DE MAEGD C. & VAN DEN BOSSCHE H. 2003: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg. Deel 1: Gingelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Brussel, Agentschap RO-Vlaanderen. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  De Maegd, Christiane, van den Bossche, Herman
Datum  : 2003

Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Herenboerenparkje [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/303505 Geraadpleegd op 12-11-2019

 

ONTDEKKING VAN DE DAG

Onze vierde toren staat in Mechelen

De stad Mechelen groeide bij de Dijle en lag in de middeleeuwen dus op de vaarroute tussen Zoutleeuw en Antwerpen in het hertogdom Brabant. De abdij van Sint-Truiden had er ooit haar ambassade.

Het Groen Waterke, een vliet aan de Ankerbrug in de schaduw van de Sint-Romboutskathedraal, is het meest schilderachtige plekje van de stad om te fotograferen. Vlakbij liggen de vluchthuizen van belangrijke abdijen: Affligem, Tongerlo en Sint-Truiden. In de woelige 16de eeuw, toen protestanten in de Nederlanden rebelleerden, hielden de abdijen van het platteland graag een pied-à-terre binnen de veilige wallen van een stad. Die ‘refuge’ was ooit nuttig voor lobbywerk in vredestijd. Zeker in Mechelen, toen zowat de hoofdstad van de Nederlanden.

Ook in Sint-Truiden zochten abdijen en kloosters van de verre omgeving hun toevlucht. We kennen nu vooral nog de refuges van Averbode (Ursulinen) en Herkenrode (vroeger de ‘Broeders’ in de Schepen Dejonghstraat). Jozef Smeesters somt er in de catalogus ‘18de eeuw’ bij de Trudofeesten 1993 nog een hele reeks andere op. De refugie van de vrouwenabdij van Nonnemielen werd later legerkazerne en verdween voor het administratief centrum. De praktijk van zo’n vluchthuis vinden we bijvoorbeeld in het archief van de Zepperse begaarden. Die hadden hun toevluchtwoning in de Gangelofparochie. Ze verhuurden het in 1678 aan een edelman uit Aalst, met last om in oorlogstijd plaats te ruimen. De pachter van de kloosterhoeve kreeg in zijn contract de verplichting om in woelige tijden alle meubels naar Sint-Truiden te voeren. Hij kreeg daarvoor kost en drank. Ook het kloostergraan, waardevast kapitaal, werd altijd naar de zolder in de veilig omwalde stad gereden. Na het ontmantelen van de wallen en poorten in 1675 op bevel van de Franse zonnekoning lag het stadscentrum wel open en bloot.

De Truiense abt Joris Sarens was geboren in Mechelen in 1477. Zijn broer, kanunnik Willem, liet rond 1540 in zijn vaderstad een prachtig gebouw met traptorentje en drie vleugels rond een binnenplaats metselen. Een combinatie van roze baksteen met witte kalkzandsteen. Enkele jaren later erfden broer Joris en de abdij van Sint-Truiden het pand. In 1611 kwam het in louter Mechelse privéhanden. Een stoute Mechelse bron schrijft de verkoop toe aan het geldgebrek van onze abdij, geplaagd door de Opstand in de Nederlanden en Luik.

De ranke traptoren is alleen onderaan nuttig, de rest is pure pronk en status. Wel een boeiende, hoge uitkijkpost in een tijd toen de mensen niet vlogen. Je kan het best vergelijken met het Antwerps torentje in het stadskwartier te Bokrijk. Het beschermde gebouw, lange tijd archief van het aartsbisdom, is in 2000 op kosten van de provincie Antwerpen schitterend gerestaureerd. Het doet onder meer dienst als conferentieplek voor de Belgische bisschoppenraad. De Antwerpse deputatie gaf bij de restauratie een glossy brochure uit in 2000. 


Lees: Linda VAN LANGENDONCK, Monnikenwerk- en engelengeduld: geschiedenis en restauratie van de voormalige refuge van Sint-Truiden te Mechelen, Antwerpen: Provincie Antwerpen Dienst Kunstpatrimonium, 2000.