Hoeve Coemanswoning

Zogenaamd "Coemanswoning", gesloten hoeve, met kern uit de 16de eeuw (?), gelegen in een bocht van de weg; de hoeve was oorspronkelijk bereikbaar langs een oprit over de Melsterbeek die het verloop van de weg volgde en voor de hoeve stroomde, doch die in oktober 1977 werd verlegd. De gebouwen zijn gegroepeerd rondom een onregelmatig gevormd, gebetonneerd erf.

Ten noorden, recente bakstenen inrijpoort onder zadeldak (Vlaamse pannen), met rechthoekige poort.

Ten noordoosten, fraai woonhuis, waarin de oude kern vrij gaaf bewaard bleef. Hoog huis van zes traveeën en twee bouwlagen onder zeer steil, mank zadeldak (nok loodrecht op straat, Vlaamse pannen); alleen de bovenverdieping bleef in leembouw bewaard: gecementeerd stijl- en regelwerk met lemen vullingen; overstekende verdieping (uitstekende balkkoppen, al dan niet op kraagstukken) ten opzichte van de gecementeerde, bakstenen benedenverdieping. Rechthoekige houten kozijnen, een oorspronkelijk beluikt bolkozijn op de benedenverdieping en een hoge deur met bovenlicht in een rechthoekige houten kozijn met tussendorpel. Witgekalkte en verankerde, bakstenen achtergevel. De bakstenen zuidoostelijke zijgevel is voorzien van gesmeed ijzeren muurankers onder meer S-vormige, de noordwestelijke zijgevel is volledig met klimop begroeid.

Aanleunend tegen de zuidoostgevel, recent bakstenen dienstgebouw onder zadeldak (golfplaten). Het poortgebouw wordt geflankeerd door lage stallingen in baksteenbouw, waarvan de erfzijdegevels volledig vernieuwd werden. De zuidwestelijke erfzijde wordt ingenomen door recente of vernieuwde dienstgebouwen. Ten zuiden, dwarsschuur van drie traveeën. onder zadeldak (Vlaamse pannen); overkalkt stijl- en regelwerk met lemen vullingen en gedeeltelijk zichtbare, rijke houtconstructie; een schuurpoort en een lage deur.


Bron     : Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.
Auteurs :  Schlusmans, Frieda

Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Hoeve Coemanswoning [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/23150 Geraadpleegd op 12-11-2019

 

ONTDEKKING VAN DE DAG

Onze vierde toren staat in Mechelen

De stad Mechelen groeide bij de Dijle en lag in de middeleeuwen dus op de vaarroute tussen Zoutleeuw en Antwerpen in het hertogdom Brabant. De abdij van Sint-Truiden had er ooit haar ambassade.

Het Groen Waterke, een vliet aan de Ankerbrug in de schaduw van de Sint-Romboutskathedraal, is het meest schilderachtige plekje van de stad om te fotograferen. Vlakbij liggen de vluchthuizen van belangrijke abdijen: Affligem, Tongerlo en Sint-Truiden. In de woelige 16de eeuw, toen protestanten in de Nederlanden rebelleerden, hielden de abdijen van het platteland graag een pied-à-terre binnen de veilige wallen van een stad. Die ‘refuge’ was ooit nuttig voor lobbywerk in vredestijd. Zeker in Mechelen, toen zowat de hoofdstad van de Nederlanden.

Ook in Sint-Truiden zochten abdijen en kloosters van de verre omgeving hun toevlucht. We kennen nu vooral nog de refuges van Averbode (Ursulinen) en Herkenrode (vroeger de ‘Broeders’ in de Schepen Dejonghstraat). Jozef Smeesters somt er in de catalogus ‘18de eeuw’ bij de Trudofeesten 1993 nog een hele reeks andere op. De refugie van de vrouwenabdij van Nonnemielen werd later legerkazerne en verdween voor het administratief centrum. De praktijk van zo’n vluchthuis vinden we bijvoorbeeld in het archief van de Zepperse begaarden. Die hadden hun toevluchtwoning in de Gangelofparochie. Ze verhuurden het in 1678 aan een edelman uit Aalst, met last om in oorlogstijd plaats te ruimen. De pachter van de kloosterhoeve kreeg in zijn contract de verplichting om in woelige tijden alle meubels naar Sint-Truiden te voeren. Hij kreeg daarvoor kost en drank. Ook het kloostergraan, waardevast kapitaal, werd altijd naar de zolder in de veilig omwalde stad gereden. Na het ontmantelen van de wallen en poorten in 1675 op bevel van de Franse zonnekoning lag het stadscentrum wel open en bloot.

De Truiense abt Joris Sarens was geboren in Mechelen in 1477. Zijn broer, kanunnik Willem, liet rond 1540 in zijn vaderstad een prachtig gebouw met traptorentje en drie vleugels rond een binnenplaats metselen. Een combinatie van roze baksteen met witte kalkzandsteen. Enkele jaren later erfden broer Joris en de abdij van Sint-Truiden het pand. In 1611 kwam het in louter Mechelse privéhanden. Een stoute Mechelse bron schrijft de verkoop toe aan het geldgebrek van onze abdij, geplaagd door de Opstand in de Nederlanden en Luik.

De ranke traptoren is alleen onderaan nuttig, de rest is pure pronk en status. Wel een boeiende, hoge uitkijkpost in een tijd toen de mensen niet vlogen. Je kan het best vergelijken met het Antwerps torentje in het stadskwartier te Bokrijk. Het beschermde gebouw, lange tijd archief van het aartsbisdom, is in 2000 op kosten van de provincie Antwerpen schitterend gerestaureerd. Het doet onder meer dienst als conferentieplek voor de Belgische bisschoppenraad. De Antwerpse deputatie gaf bij de restauratie een glossy brochure uit in 2000. 


Lees: Linda VAN LANGENDONCK, Monnikenwerk- en engelengeduld: geschiedenis en restauratie van de voormalige refuge van Sint-Truiden te Mechelen, Antwerpen: Provincie Antwerpen Dienst Kunstpatrimonium, 2000.