Oorspronkelijk was hier het Sint-Mathiasklooster gevestigd, een klooster van bogaarden, gesticht in de 13de eeuw. De bogaarden, mannen uit de geringe stand, verenigden zich en leefden samen zoals de begijnen. Later namen ze de regel van Sint-Franciscus over en werden ze derdeordelingen (mannen en vrouwen die ene sober en devoot leven leefden in de wereld).
\\
In 1589 kocht de Luikse prins-bisschop Ernest van Beieren hun klooster op en richtte het in als seminarie van de abdij. De gebouwen bleken te klein en in de 17de eeuw kwamen er twee vleugels bij. Op twee gevelstenen staan de wapenschilden van prins-bisschop Ferdinand van Beieren en van abt Hubert van Zutendael. De noordoostvleugel, aan de Diesterstraat, werd in 1778 in classicistische stijl opgetrokken door prins-bisschop Velbrück . Het was de bedoeling dat aan de linkerkant van de monumentale inrijpoort een identieke vleugel zou komen, maar de inval van de Fransen verijdelde deze plannen. Het seminarie werd afgeschaft en bood vervolgens tot 1986 onderkomen aan meerdere scholen. Nu heeft het geheel een woon-, werk- en handelsfunctie.


Te Engelmanshoven heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:
'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',
dan kwamen ze uw werk doen. '
Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.
'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.
Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.
'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'
Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:
'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!'
en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.
Opgetekend door F. Beckers in 1948