Debruyn, Eugène (Lambert), geneesheer

Sint-Truiden 21.05.1820 Sint-Truiden 04.05.1904 , x Mathilde Delgeur  

Zoon van geneesheer-chirurg Joannes Josephus Franciscus en Maria Joanna Christine Monville. Ook kleinzoon van dokter.  

Doctor geneeskunde Leuven 1841 en verlos- en heelkunde 1842. Assistent prof. Michaux burgerlijk hospitaal Leuven. Studiebeurs Parijs 1843-1845 na proefschrift over ontwrichtingen elleboog. Verhandeling over bleekzucht en bloedarmoede bekroond en uitgegeven door de Academie. Corresponderend lid van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde. Koepokinentingen. Volgde zijn vader op, overleden in cholera-epidemie 1849, als geneesheer bij Zusters van Liefde. Voorzitter 1857 van de Provinciale Commissie voor Geneeskunde en het Provinciale Comité voor Openbare Gezondheid. Voorzitter van de Medische Kring van Sint-Truiden. Bestuurslid Middelbare Staatsschool. 

Hoofdgeneesheer  Burgerlijk Hospitaal en de beide gestichten voor krankzinnigen in Sint-Truiden. Voorbereiding ll. vroedvrouwen op examens. Stichtend lid van de Société royale de médecine mentale. Huwde burgemeestersdochter 1859. Bouwheer van burgerhuis in Schurhovenstraat nov. Justin Bruyenne van Doornik 1869.

Geschilderd portret door Léon Herbo 1891 in opdracht van Medische kring Sint-Truiden, privébezit Parijs. Grafmonument Schurhoven. 

Publicatie: De la chlorose et de l’anémie, in Mémoires des concours et des savants étrangers, publiés par l’Académie royale de médecine de Belgique, 1, 1847, p. 1-116.
Lees: Bibliographie nationale, 1, Brussel: P. Weissenbruch, 1886, p. 354; Remise solennelle du portrait offert le lundi, 7 septembre 1891, à monsieur le docteur Eugène Debruyn… à l’occasion de son cinquantenaire professionnel. Compte-rendu de la manifestation, Sint-Truiden: H. Vanwest-Dubois, 1891; Eugène SOIL, Justin Bruyenne, in: Annales de la Société historique et archéologique de Tournai, n.r. 1, 1896, p. 431; Christa ENGELBOSCH, in ST19DE, p. 247; Franz AUMANN, in ZUSTERS, p. 165-168.
ONTDEKKING VAN DE DAG

Onze vierde toren staat in Mechelen

De stad Mechelen groeide bij de Dijle en lag in de middeleeuwen dus op de vaarroute tussen Zoutleeuw en Antwerpen in het hertogdom Brabant. De abdij van Sint-Truiden had er ooit haar ambassade.

Het Groen Waterke, een vliet aan de Ankerbrug in de schaduw van de Sint-Romboutskathedraal, is het meest schilderachtige plekje van de stad om te fotograferen. Vlakbij liggen de vluchthuizen van belangrijke abdijen: Affligem, Tongerlo en Sint-Truiden. In de woelige 16de eeuw, toen protestanten in de Nederlanden rebelleerden, hielden de abdijen van het platteland graag een pied-à-terre binnen de veilige wallen van een stad. Die ‘refuge’ was ooit nuttig voor lobbywerk in vredestijd. Zeker in Mechelen, toen zowat de hoofdstad van de Nederlanden.

Ook in Sint-Truiden zochten abdijen en kloosters van de verre omgeving hun toevlucht. We kennen nu vooral nog de refuges van Averbode (Ursulinen) en Herkenrode (vroeger de ‘Broeders’ in de Schepen Dejonghstraat). Jozef Smeesters somt er in de catalogus ‘18de eeuw’ bij de Trudofeesten 1993 nog een hele reeks andere op. De refugie van de vrouwenabdij van Nonnemielen werd later legerkazerne en verdween voor het administratief centrum. De praktijk van zo’n vluchthuis vinden we bijvoorbeeld in het archief van de Zepperse begaarden. Die hadden hun toevluchtwoning in de Gangelofparochie. Ze verhuurden het in 1678 aan een edelman uit Aalst, met last om in oorlogstijd plaats te ruimen. De pachter van de kloosterhoeve kreeg in zijn contract de verplichting om in woelige tijden alle meubels naar Sint-Truiden te voeren. Hij kreeg daarvoor kost en drank. Ook het kloostergraan, waardevast kapitaal, werd altijd naar de zolder in de veilig omwalde stad gereden. Na het ontmantelen van de wallen en poorten in 1675 op bevel van de Franse zonnekoning lag het stadscentrum wel open en bloot.

De Truiense abt Joris Sarens was geboren in Mechelen in 1477. Zijn broer, kanunnik Willem, liet rond 1540 in zijn vaderstad een prachtig gebouw met traptorentje en drie vleugels rond een binnenplaats metselen. Een combinatie van roze baksteen met witte kalkzandsteen. Enkele jaren later erfden broer Joris en de abdij van Sint-Truiden het pand. In 1611 kwam het in louter Mechelse privéhanden. Een stoute Mechelse bron schrijft de verkoop toe aan het geldgebrek van onze abdij, geplaagd door de Opstand in de Nederlanden en Luik.

De ranke traptoren is alleen onderaan nuttig, de rest is pure pronk en status. Wel een boeiende, hoge uitkijkpost in een tijd toen de mensen niet vlogen. Je kan het best vergelijken met het Antwerps torentje in het stadskwartier te Bokrijk. Het beschermde gebouw, lange tijd archief van het aartsbisdom, is in 2000 op kosten van de provincie Antwerpen schitterend gerestaureerd. Het doet onder meer dienst als conferentieplek voor de Belgische bisschoppenraad. De Antwerpse deputatie gaf bij de restauratie een glossy brochure uit in 2000. 


Lees: Linda VAN LANGENDONCK, Monnikenwerk- en engelengeduld: geschiedenis en restauratie van de voormalige refuge van Sint-Truiden te Mechelen, Antwerpen: Provincie Antwerpen Dienst Kunstpatrimonium, 2000.