Verloren park bij het laat 18de-eeuwse kasteel de la Riva, nu boerderij.
Een onvolledig bewaard en niet gedateerd document in het Rijksarchief te Hasselt vermeldt het land en de vrijheid Niel met mooi kasteel, watermolen, meer dan 33 bunders land, weiden en bos. Het goed behoorde tot de bezittingen van de familie de Corswarem. Charles de Corswarem (1769-1822), kleinzoon van Joseph Clément de Corswarem, opperjachtmeester van het land van Luik en graaf van Niel, verwierf in 1816 de hertogelijke titel Looz-Corswarem. De kadastrale legger van 1844 geeft Maria Theresia de Corswarem, gravin te Sint-Truiden als eigenaar op, nadien volgen het echtpaar de la Riva Aguero – Vandevelde en in 1869 Josephus de la Riva, rentenier in Niel. Deze familie, waarvan de eerste telg officier was in Peru, gaf het goed zijn naam. De literatuur publiceert een plan van het park en signaleert dat graaf Guillaume de Looz Corswarem het kasteel in 1790 liet bouwen. Het Primitief kadasterplan door landmeter J.L. Gitta (rond 1824) toont een kasteel waarop dienstgebouwen rond een open binnenkoer aansluiten in een strak geometrische configuratie.
Het goed werd genoteerd op de eerste uitgave van de kaarten van het Dépôt de la guerre (opname 1871, uitgave 1877) met een parkje in landschappelijke stijl, ten zuiden van de spoorweg Luik-Brussel. Het domein lag bij de Molenbeek en nam een nagenoeg L-vormige site in beslag. De toegang gebeurde via een brede oprit, die voorbij de spoorwegbrug vertrok.
Het kasteel werd in 1943 afgebroken maar er zijn prentkaarten van bewaard. Het was een bepleisterd, neoclassicistisch gebouw van vijf traveeën en drie bouwlagen, gelegen naast de boerderij, waarvan de binnenkoer naar het kasteel toe open was. Een twee bouwlagen hoog portiek van vier traveeën, geritmeerd door zuilen onder een entablement en gemarkeerd door vier bekronende siervazen aan de gootlijst gaf de voorgevel zijn classicistisch karakter. In de parkgevel beantwoordde er een nauwelijks uitspringend risaliet aan, met balkon boven de deur. De latere zuidelijke uitbreiding met twee traveeën, waar aan de noordzijde de toevoeging van steunberen beantwoordde, verstoorde de aanvankelijke symmetrische opbouw, die overigens de hand van architect Henry in herinnering brengt. Een gordel van bomen- en struiken vormde de begrenzing van het goed en het park bezat een lusvormig padenpatroon dat rond grasvelden en weiden voerde. Het pad was begeleid door bosjes, bomen- en struikmassieven en deed ook de waterpartij met rond eilandje aan.
Het vermelde opmetingsplan, dat noch een auteur noch een jaartal draagt, dateert van na de uitbreiding van het kasteel en de bouw van de inrijpoort, die het met het neerhof verbond. Deze toestand is wel op het Primitief kadasterplan maar niet op de Dépot-kaart van 1871 genoteerd. Aan de voet van het kasteel en aan de rand van de grote weide tussen kasteel en vijver liggen bloembedden waarin men gewoonlijk éénjarigen plantte, met als resultaat de typische veelkleurige corbeilles waarmee men tuinen uit de tweede helft van de 19de eeuw associeert. Op de kaart van het Dépot ligt de moestuin ten westen, aansluitend bij de boerderij, percelen waar het plan eveneens aanplantingen aangeeft.
Op de stafkaart van 1949 is het goed aangeduid als hoeve en voormalig kasteel, beide tot U-vorm geëvolueerd, de vijver is uitgebreid, de wandelpaden in het park zijn niet langer genoteerd en de oprit loopt nu voorbij het kasteel in westelijke richting verder, parallel met de spoorlijn naar de Montenakenstraat.
Momenteel blijft er enkel een boerderij zonder park over. Slechts de dreef, nu met ongeveer 20 jaar oude Canadapopulieren, verwijst nog naar het verleden.
Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Restant van het landgoed de la Riva [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/303132 Geraadpleegd op 12-11-2019

Er zijn weinig steden waarvan het ontstaan en de vroege ontwikkeling zo goed kan gevolgd worden als Sint-Truiden. De naam zelf verraadt de oorsprong. Sint-Truiden dat is Trudo , de Frankische edelman die rond 650 een kerk en klooster bouwde op een kleine verhevenheid naar het noorden toe, waar de Cicindria aan de linkerzijde door een breed dal vloeide. De kleine gemeenschap werd een welvarende abdij die tot het einde van de achttiende eeuw wel en wee van de stad zou meemaken.
Rond de abdij is al snel een nederzetting gegroeid, maar een echte stroomversnelling kwam er in de elfde eeuw. De bedevaarten naar het graf van Sint-Trudo brachten niet alleen rijkdom voor de abdij maar ook welvaart voor de velen die buiten de landbouw werk zochten.
In die periode bouwde abt Adelardus zijn grote abdijkerk. De toren en de overblijfselen van de crypte geven nog een beeld van de honderd meter lange kerk. De abdijgebouwen blijven getuigen van de kracht en de uitstraling van Trudo's stichting. Adelardus (ver)bouwde de Onze-Lieve-Vrouwekerk en bouwde ook de Sint-Gangulfuskerk . Onder dezelfde abt - de abt was medeheer naast de bisschop van Metz - werd Sint-Truiden omgord met een aarden wal, een houten palissade en versterkte toegangspoorten. Terecht omschrijven officiële documenten uit die tijd Sint-Truiden als oppidum, versterkte stad. De nederzetting bij de abdij was een stad geworden.
In 1129 werd de eerste omwalling vervangen door een stenen vestingsmuur, die werd uitgebouwd tot een indrukwekkende gordel van poorten en torens. Na de ontmanteling in 1675 en de afbraak van de overblijvende muren bleef het tracé bewaard in het stadspark en de vesten. Van de Brustempoort bleef een nog omvangrijk ondergronds gedeelte bewaard.
De groei en bloei van de middeleeuwse stad werd sterk in de hand gewerkt door de lakennijverheid en de verre handel. Sint-Truidense handelaars trokken naar Engeland, naar de jaarmarkten van Champagne, naar talrijke steden in het Duitse rijk. De Grote Markt blijft de belangrijkste getuige van de plaatselijke handel : vanuit het kerkplein van de abdij werd een steeds grotere ruimte voorbehouden voor de talrijke marktactiviteiten. Middenin, op de scheidingslijn van het district van de abt en dat van de prins-bisschop (sinds 1227 was dat de prins-bisschop van Luik), werd een hal gebouwd. Later, in de achttiende eeuw, werd over de hal en rond de hallentoren het stadhuis gebouwd. Met de abdijtoren en met de Onze-Lieve-Vrouwekerk werd dat het uithangbord van de stad.
De economische en sociale activiteiten in de stad werden georganiseerd in dertien ambachten. Binnen het land van Luik bevochten zij mee de deelname van de steden in het staatsbestuur en in eigen stad verwierven ze de democratische controle over het stedelijk bestuur. Als symbool daarvan werd bij de hal een perron opgericht bekroond met een vergulde adelaar.
Na de vijftiende eeuw trad er een stilstand op die voortduurde tot in de 19de eeuw. Wel werd er vooral in de achttiende eeuw werk gemaakt van de verfraaiing van kloostergebouwen en burgerhuizen.
Na 1830 werden de leegstaande kloostergebouwen de nieuwe huisvesting van congregaties, die van Sint-Truiden een uitgesproken onderwijs- en verzorgingscentrum maakten. Blijvend was de marktfunctie in een uitermate vruchtbare landbouwstreek. De fruitteelt vanaf het einde van de negentiende eeuw zou daaraan heel eigen kenmerken geven.
Het is opvallend dat de eerste nieuwe straten en wijken er pas kwamen bij het begin van de 20ste eeuw. Maar vanaf dan veranderde er steeds meer en in steeds snellere mate. Zelfs de uit de middeleeuwen stammende gemeentegrenzen werden doorbroken. Daardoor kwamen gemeenten met een eigen eeuwenoude geschiedenis bij mekaar terecht. In Zepperen ging de jonge Trudo zijn bisschop opzoeken. In Brustem bouwden de graven van Loon een burcht tegen Sint-Truiden. Duras herinnert aan de plaatselijke graven die zich vaak mengden in de conflicten rond abdij en stad.
Een middeleeuwse stad en veertien historische gemeenten vormen nu een prachtige staalkaart van oude tradities én moderne activiteiten in het vruchtbare land van Haspengouw.