
In de tweede helft van de negentiende eeuw was Sint-Truiden een stad in volle bloei. Dankzij de industrie revolutie in België floreerden ook hier de handel en nijverheid, en brachten de spoor- en steenwegen het land dichter bij elkaar. De 'belle époque' streek ook neer in Haspengouw. Net zoals elders in het land trachtte Sint-Truiden zich op de kaart zetten door haar ontstaan in de vroege middeleeuwen te benadrukken. De economische voorspoed zorgde alvast voor genoeg middelen om een meerdaags jubileum te organiseren. In 1893 zou het twaalfde eeuwfeest van het overlijden van Sint-Trudo aanbreken. Was dat niet de perfecte aanzet?

De verering van Sint-Trudo kon bovendien in de stad en het ommeland nog steeds op veel bijval rekenen. Op initiatief van deken Lenaerts werd een feestcomité samengesteld met de gegoeden van de stad, zoals burgemeester Clément Cartuyvels (1842-1921), schepen Willem De Jongh (1840-1906) en stadsarchitect Edmond Serrure. Het jubileumfeest zou tien dagen duren. Het programma werd gevuld met diverse misvieringen, bedevaarten en plechtigheden.

Pronkstuk van de festiviteiten was een optocht waaraan 45 groepen met praalwagens deelnamen onder muzikale begeleiding van de lokale harmonieën. De levensloop van Sint-Trudo werd er uitgebeeld. Hoofdrollen waren weggelegd voor naaste familieleden van het feestcomité. De aanschouwing van de relieken van Sint-Trudo, Sint-Eucherius en Christina Mirabilis vormden het hoogtepunt van de stoet. Daarachter schuifelden heel wat hoogwaardigheidsbekleders statig mee, met de aartsbisschop van Mechelen en de pauselijke nuntius op kop.
Ref.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loote wee de klokke van den toure luin,
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loepe wee ni recht, ma loepe feelinks schuin.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Dreinke wee e pintje en gon haand in haand,
Vör te daasten albedieën rond de Latsjaan.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.
Iederien du mie, och de Gemeinterood,
Effekes de tuigels los kan ginne kood,
Iel het joor ston zijlinks al in vlam en vuur,
Vuir et goed van ’t Stadsbestuur.
Carnaval da zit doe in, da vuul dzje zelf,
Telt ze mèr, die groep is och bè drei maal elf.
En de boug kan alted ni gespanne ston,
Doever loote ze un dan ins per joor ins gon.
Ref.
En vuir goed te fieëste, is doo ‘t Fiestcomiteit,
Dei kreige subsidies och op stond en tijd,
Ma ze moete luistere noo et Stadsbestuur,
Gelèk de Rood van de Commeduur,
Vesteloovet is doe toch vuir iel de stad,
Ozze carnavalsgroepe dee weite da,
En as Scheipe va Plezier roep ich och ‘Vuur!’
Carnaval da is en echte volkscultuur.
Ref.
Ref.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.