doopvont Christina de wonderbare

Het doopvont van Christina Mirabilis


Volgens het 13de-eeuwse levensverhaal baden vrienden en zusters van Christina tot God om zijn mirakels in Christina te milderen, want die werden door sommige mensen wel eens verkeerd begrepen. In die tijd werden een aantal 'wonderen' nogal vlug gelinkt aan hekserij of waanzin. Christina vluchtte naar de kerk in Wellen waar ze zich onderdompelde in een open doopvont. Na deze onderdompeling gedroeg Christina zich veel rustiger en veranderde haar leven voorgoed.

De doopvont bevindt zich nu in het Metropolitan Museum The Cloisters in New York. De herkomst van de doopvont in New York was lang onbekend. 

Truienaar en Christinakenner Camille Vanlangendonck loste de puzzel op in 2011. In het archief van de redemptoristen van Sint-Truiden stootte hij samen met Jo van Mechelen en Jef Smeesters op een foto van een romaanse doopvont samen met een briefje over de eigendomsgeschiedenis. Ook in het Metropolitan Museum was men op zoek naar de herkomst.

De doopvont werd ooit door de pastoor van Wellen verkocht aan de redemptoristen en kwam daarna terecht in de kunsthandel. De Erfgoedcel Haspengouw liet een reproductie maken in blauwe steen ter gelegenheid van de Trudofeesten 2012. De reproductie werd gemaakt door de firma Impermo en geschonken aan de stad. De reproductie staat nu in de Sint-Gangulfuskerk.


Hilde Hendricx
ONTDEKKING VAN DE DAG

De trap des aanstoots

De Luikse architect Etienne Fayn slaagde erin om een mooi stadhuis in Luikse classicisme te ontwerpen rond de oude halle en de belforttoren. De stadsmagistraat betrok zijn nieuwe symmetrische bouw in juli 1759 onder begeleiding van drie kanonsalvo's. De interieurafwerking, vooral door de modieuze Luikse vakmensen, moest toen nog beginnen.
Maar... die saaie horizontale kroonlijst wou de stad als bouwheer toch verbeteren. Kijkend naar Brabant en Antwerpen liet ze in 1766 zwierige frontons met klokgevel, curven en tegencurven plaatsen aan de hoofdgevel. Pater minderbroeder Johannes Bolgrez bracht een plan mee uit Antwerpen. Ook kwam er een dubbele puitrap naar de verdieping, om de begane grond te kunnen verhuren. Enkele jaren later verdween deze blijkbaar té bombastische ingreep terug. 

Eigentijds kroniekschrijver Debruyn is genadeloos voor zoveel pretentie en tekent - met veel lekenfantasie - dit on-Luikse gedrocht. Hij schrijft ook hoe men half juni 1766 bouwt aan "eene nieuwe blauw steene balcon, ende het frontispicium wierd verciert met nieuwe crollen, oock met eenen nieuwen noijt in dese landen geinventeerde blauw steenen trap dienende tot spot der borgers ende vreemdelingen hier passerende om het onnodigh ende verquist geldt". 

Van deze verbeteringsoperatie getuigt nog een jaartalsteen met stadswapen boven het balkon. 






Lees: Christine VANTHILLO, Het stadhuis van Sint-Truiden, van binnen uit bekeken, in Sint-Truiden in de 18de eeuw, tentoonstellingscataloog, Sint-Truiden: Sint-Truiden 1300 vzw., 1993, p. 109-117; Fernand DUCHATEAU, Het boek van Debruyn. Een kroniek van de achttiende eeuw in Sint-Truiden, in idem, p. 168 en 209-267 en Sint-Truiden 1693-1793, in idem, p. 7-26; Het stadhuis van Sint-Truiden. Hart van de democratie, Sint-Truiden: stadsbestuur, 2018, p. 131-133.