De pest in Sint-Truiden

Pest in Sint-Truiden

Onderschrift bij deze foto

Hoewel de bevolking van Sint-Truiden ontsnapt aan de ergste pestgolven, toch komen talloze bewoners om tijdens de epidemies van de 14de tot 18de eeuw. Over hun juiste aantal zijn geen gegevens bekend. Historische bronnen ontbreken. Misschien kunnen de archeologische data na verder onderzoek een idee geven van de omvang van deze rampen.

De pest bereikt Europa in 1347 via Italiaanse handelsschepen, nadat ze in het oosten al miljoenen slachtoffers heeft gemaakt. Op enkele jaren tijd treft de ziekte in Europa een derde tot de helft van de 75 miljoen mensen, die ons continent toen bevolken.

Men kreeg geen vat op de ziekte, geeft de schuld aan de Joden, de stand van de planeten…en natuurlijk wordt de ziekte aangezien als de straf van God voor de zonden van de mensen. Maar bidden helpt niet en ook kloosterlingen en priesters worden niet gespaard.

De Benedictijnen ontsnappen grotendeels aan de eerste grote epidemie door het feit dat ze goede sanitaire voorzieningen hebben (verbouwingen door o.a. abt Wiricus). Ze helpen hun stadsgenoten waar ze kunnen. 

Maar het zijn toch vooral de Franciscanen (Minderbroeders), Alexianen en Cellebroeders die de pestlijders verzorgen. Zogenaamde ‘pestmeesters’ worden aangesteld vanaf de 16de eeuw. Ze bezoeken de zieken om te zien of ze getroffen zijn door de pest. Hun taak is vooral de pestlijders te isoleren, zodat ze anderen niet kunnen besmetten. Veel meer kunnen ze niet doen. Ze vallen op door hun beschermende kledij en typische ‘pestmasker’, vooral bekend in de Venetiaanse vorm.

Pest wereldwijd probleem

In 1330 breekt in China de (builen)pest uit. Omdat het land op dat moment al een grote handelsmogendheid is, is het maar een kwestie van tijd voor de ziekte zich verspreidt. In 1340 meldt een Italiaanse schrijver al: ‘India is ontvolkt en Tatarstan, Mesopotamië, Syrië en Armenië liggen bezaaid met lijken’. Niet lang daarna meert de ziekte letterlijk aan in Europa.

In 1348 maakt men een duidelijk onderscheid tussen builenpest en longpest, maar men kan de ziekte voorkomen noch genezen. De enige reden waarom de ziekte (tijdelijk) verdwijnt is de massale ontvolking door de ziekte zelf en het besef dat men de pestlijders moet isoleren. Men komt er pas erg laat achter dat sanitaire voorzieningen en betere hygiëne de ziekte indijken.

Pas in 1897 slaagt de Russische bacterioloog Waldemar Haffkine van het Parijse Pasteur-instituut erin een vaccin te ontwikkelen. Tot dan toe behelpt de Middeleeuwse mens zich met aderlatingen, het wegbranden van de builen en ‘wondermiddeltjes’ als een mengsel van hars, gestampte wortels, lelies en gedroogde uitwerpselen. Zelfs een dode haan zou de ziekte kunnen verdrijven…

tekst vzw Abdij, Stad en Regio

ONTDEKKING VAN DE DAG

Expo 1907

De ‘Expositie’

De ‘Expositie’ in 1907 was hét supermoment voor Sint-Truiden. Sinds 1860 had het de eerste plaats in Limburg moeten afgeven aan Hasselt. Maar de provinciegouverneur kwam uit Sint-Truiden en een ambitieus team wilde hier de Luikse tentoonstelling van 1905 overdoen. 




In 1907 volgde Sint-Truiden het Luikse voorbeeld van 1905 en hield een provinciale tentoonstelling op een lange strook van de braakterreinen bij het spoorwegstation tot en met het stadspark. Een brug leidde de bezoekers over de Diestersteenweg. De volkswijk De Hel had plaats gemaakt voor het ‘klein stadspark’. Bij de paviljoenen vielen vooral het Paleis de Mijnen en het bouwsel van de steenkoolmijnen van Dahlbush op. De steengroeven van de Ourthe lieten een gedenkzuil oprichten en de oude Parkschool herbergde veilig de tentoonstelling van Oude Kunst.

Een stadsgenoot, baron Henri de Pitteurs-Hiegaerts was sinds 1894 provinciegouverneur en in augustus 1901 werd in Limburg steenkool ontdekt, waar dezelfde familie belangen had. Dokterszoon en bankier Leon Debruyn nam het voortouw. Zijn zwager was notaris Nagels. Ook de ondernemers Baltus, koloniale waren, en Claes-Lekens, bouwpromotor, waren ambitieus. Het organisatiecomité bood een model arbeiderswoning aan het Bureel van Weldadigheid (OCMW), die nog steeds bestaat in de Spoorwegstraat.




Op 28 juli 1907 kon de breedgebaarde, al oudere koning Leopold II met zijn dochter prinses Clémentine vanop de tribune de trekpaarden van Clément Peten uit Velm bewonderen. Ook prins Albert bezocht de tentoonstelling. Op 22 december was het hoogfeest van de belle époque en van de durvende ondernemers in Sint-Truiden voorbij. Meer dan een half miljoen bezoekers en ‘speelreizigers’ – de toenmalige benaming voor toeristen - bezochten expo en stad. De bebouwing in de al geplande nieuwe stationswijk kon starten. Van de expo restte later enkel nog de prestigieuze Prins-Albertlaan en de Expositiestraat, in 1930 vervangen door ‘Astrid’straat. Een gedenksteen staat ingemetseld in een hekpaviljoen van het stadspark. 

Van deze ‘wereldtentoonstelling’ voor de Truienaar bleven talrijke prentbriefkaarten en een pas in 1910 rijkelijk uitgegeven ‘Guldenboek’ bewaard. Uitzonderlijk ook persoonlijke toegangskaarten met portretfoto.


Gedenksteen als herinnering aan de Expo, gemetseld in één van de ingangspaviljoentjes van het stadspark



Kathleen DIGNEF, De provinciale tentoonstelling van 1907 te Sint-Truiden: de ‘Wereldtentoonstelling’ voor de Truienaar, in: Historische bijdragen over Sint-Truiden en omgeving, Sint-Truiden: GOKSint-Truiden. 2006, p. 115-126.