Over Hoogstam naar Laagstam

Over hoogstam naar laagstam

De eerste overschakelingen naar commerciële laagstam komen er in Haspengouw al in de jaren 1930. Niettemin duurt het nog twee decennia vooraleer de grote doorbraak zich meldt. Temeer omdat de overheid vanaf 1951 subsidies geeft, zij het wel mits bepaalde voorwaarden. Aanplantingen met meerdere fruitsoorten of -rassen op één perceel vallen bijvoorbeeld uit de boot. Bovendien dienen bepaalde plantafstanden te worden gerespecteerd. Op die manier wil de overheid kwaliteit en rationalisering in de sector bevorderen.

Ook al ligt de investering voor een laagstamboomgaard hoger, toch wegen de voordelen sterker door. De dichtere bezetting, de snellere opbrengst, het wegvallen van de beurtjaren en het gemakkelijker onderhoud in de snoei- en plukperiode trekken heel wat landbouwers over de streep.

De commercieel minder aantrekkelijke hoogstamboomgaarden liggen er daardoor vaak verwaarloosd bij en worden veelal gerooid om plaats te ruimen voor de laagstam. Heel wat hoogstamvariëteiten dreigen daardoor te verdwijnen. Bepaalde organisaties zoals de Nationale Boomgaardenstichting, zorgen ervoor dat het niet zo ver komt.

Sint-Truiden heeft reeds in 2006 met het Ruimtelijke Uitvoeringsplan Groene Waarden prioritaire sites aangeduid waar hoogstamboomgaarden een meer beschermd statuut kregen. Het RUP werd echter door sommige als een RIP begrepen.

Maar eerst wat geschiedenis

De zoektocht naar manieren om de productie van de hoogstamboomgaarden op te drijven, leidt tot het wijkers- blijvers-systeem. Dit telt drie categorieën bomen: wijkers, half-wijkers en blijvers. De wijkers zijn kleine bomen die snel in productie zijn, in afwachting van de productie van de half-wijkers en blijvers. De wijkers verdwijnen wanneer de half-wijkers en blijvers zo groot zijn dat er geen ruimte meer is voor de wijkers. De half-wijkers verdwijnen wanneer de blijvers volgroeid zijn. Hierna houdt de landbouwer een gewone hoogstamboomgaard over. Al snel worden boomgaarden met louter kleine bomen aangelegd.


In 1934 planten vooruitstrevende landbouwers de eerste commerciële laagstamboomgaarden aan, maar pas na de Tweede Wereldoorlog komt de laagstam tot volle ontwikkeling. Om het aanplanten hiervan te stimuleren, reikt de overheid vanaf 1951 toelages uit, mits een aantal voorwaarden. Deze kaderen in het overheidsbeleid om de productie van kwaliteitsfruit en de rationalisatie van de bedrijven te bevorderen.


De talrijke voordelen van een laagstamboomgaard trekken heel wat landbouwers uiteindelijk over de streep. De hogere plant- dichtheid en het sneller in productie zijn, zorgen immers voor een hogere opbrengst per hectare. Dit in tegenstelling tot hoogstambomen die minstens tien meter uit elkaar moeten staan en gemiddeld pas na meer dan tien jaar tot een volwaar dige productie komen. De investering is weliswaar groter, maar brengt wel sneller op. Ook niet onbelangrijk is het wegvallen van de beurtjaren, met afwisselend een goede en een minder goede oogst, die zo kenmerkend zijn voor hoogstambomen. Het productieniveau van laagstamaanplantingen kent een grotere continuïteit. Hiernaast zijn de laagstamboomgaarden makkelijker te onderhouden. Geen gesjouw meer met lange ladders om de hoge bomen te snoeien, sleunen (het verwijderen van zware takken) en te plukken.

Foto Kamiel Stevaux van voor 1914 

In de jaren 1950-1960 brengt het fruit van hoogstamboomgaarden ook steeds minder op, omwille van de dalende vraag. De enorme diversiteit aan hoogstamrassen stimuleert de vraag niet. De fruithandel hoeft geen duizend-en-één rassen met evenveel smaken en prijzen. De overheid probeert de afzet te vergemakkelijken door de laagstam te stimuleren, onder andere via rooisubsidies voor hoog- stamboomgaarden. Telers die hun aanplantingen vernieuwen, zullen, indien mogelijk, laagstam aanplanten.

Er zijn echter ook nadelen verbonden aan de laagstam. De landbouwer is meteen gedwongen tot een zekere mate van specialisatie. Hij kan geen vee meer laten grazen in de boomgaarden. Een gemengd bedrijf uitbreiden is op die manier zeer moeilijk. Hiernaast dreigen heel wat oude hoogstamrassen te verdwijnen. Iets wat niet opbrengt, is voor de professionele fruitteler niet interessant om te telen. De Keulemannekes, Reinettes … doorstaan de vergelijking met de nieuwe rassen niet.

Bij een aantal mensen leeft echter de bezorgdheid dat de diversiteit aan fruitbomen, die tevens als biotoop fungeren voor heel wat dieren, verloren zou gaan. Ludo Royen, bioloog van opleiding, begint daarom in de jaren 1970 met het inventariseren van fruitsoorten en het verzamelen van informatie en van enthout. Begin jaren 1980 sticht hij samen met een aan- tal anderen de ‘Nationale Boomgaardenstichting’ (NBS). Vandaag bewaart de organisatie ook oude boomgaarden, legt er nieuwe aan, geeft voorlichting en doet aan landschapsherstel.


Bij de kersenteelt verloopt de overgang van hoogstam naar laagstam stroever. In België houdt het Rijksstation voor Fruit- en Groenteteelt te Gemblours zich vanaf 1962 bezig met het onderzoek naar kersen op laagstam. Doordat er niet meteen een oplossing wordt gevonden, boert de kersenteelt achteruit. Kersen worden nog tot de jaren 1990 op hoogstam geteeld, pas dan komt er een oplossing. Door de hogere pluk- en onderhoudskosten is het intussen voor vele kwekers makkelijker om (gedeeltelijk) over te schakelen naar appels en peren.

De ontwikkeling van Haspengouw tot dé fruitstreek van België valt samen met de overgang van hoogstam naar laagstam. Wanneer de laagstam zijn intrede doet en de landbouwers voor een keuze worden gesteld, stappen veel Haspengouwse landbouwers mee in het fruitverhaal.


De aanwezigheid van onderwijs, wetenschappelijke instellingen, veilingen, dynamische mensen en het gebrek aan alternatieven stimuleren de uitbouw van de fruitsector in Haspengouw.

Brabant, in praktijk het Hageland, neemt eveneens een groter aandeel van de fruitproductie voor zijn rekening, al is het niet zo significant als de toename van Limburg. Het aandeel van de andere provincies in de totale fruitproductie daalt. Dit wil niet zeggen dat de fruitteelt volledig verdwijnt uit de andere provincies. Er vindt alleen niet eenzelfde doorgedreven specialisatie in de fruitteelt plaats. In Oost-Vlaanderen bijvoorbeeld, zal de sierteelt worden uitgebreid in plaats van de fruitteelt.


Uit “Sappig verteld” het verhaal achter de fruitteelt in Haspengouw een uitgaven van de erfgoedcel Sint-Truiden (nu Erfgoed Haspengouw), Toerisme Sint-Truiden en het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG leuven), 2010.
ONTDEKKING VAN DE DAG

Duchateau, (Jan) Alfons, bankdirecteur

Aalst 04.02.1867  Leuven hosp. 22.01.1933   Sylvie Abels 

Zoon van landbouwer Pieter Arnold en Maria Theresia Wauters.  

Ll. Normaalschool Sint-Truiden 1885, aldaar onderwijzer 1888. Leraar gymnastiek en plantkunde. Leraar wiskunde en natuurwetenschappen College 1899 tot aan opheffing in 1910, bijnaam ‘den Duk’. Leraar wiskunde Limburgse ambachtsschool Hasselt en normaalleergangen nijverheidsonderwijs provincie Limburg. Drukkerij, boekbinderij, papierhandel en ‘keurboekerij’ ‘In ’t Gulden Boek’ Groenmarkt, opvolger van A. Schoofs. Ook verkoop geldbeugels, optiek en meetinstrumenten. 

Vader van priester Gabriël en van nijveraar Alfons. Grootvader van docent-stadsarchivaris Ferdinand. Echtgenote uit Berchem. Medestichter met dokter Quintens en voorzitter studiekring De Coninckxvrienden  ca. 1897. Voorzitter Commissie Openbare Onderstand 1925 en ijveraar bouw nieuw weeshuis Nieuw Sint-Truiden 1931. Bestuurder Nijverheidsschool 1910 en Landbouwbank van België te Sint-Truiden. Lid kerkfabriek hoofdkerk. Secretaris comité Fancy-fair 1911 voor Ziekenkas Christen Werkmanshuis. Lid Toezichtcommissie tekenacademie 1932.

Herinneringssteen Weeshuis.

Publicaties: Begrippen van meetkunde. Eerste deel: voorafgaande begrippen. Nijverheids- en ambachtsscholen. Vierde graad van het lager onderwijs. Normaalscholen, Sint-Truiden: Groenmarkt 64 en 65, s.d.; Begrippen van stelkunde ten gebruike van nijverheids- en ambachtsscholen, Sint-Truiden Groenmarkt: A. Duchateau, z.j., druk Hasselt.

Lees: Lijkrede door Paul CARTUYVELS, in De Tram, 28.01.1933; MINTEN, p. 97, nr. 662.