Bevingen

BEVINGEN

IN HET STILLE DORP, HUIZEN
PIKKEDONKER VERBORGEN ONDER
DE AANPLANT VAN HOOGSTAMBOMEN,
HEEFT IEMAND BESLOTEN
THUIS TE HOREN.

STALEN LUIKEN HANGEN ALS WIMPERS
VOOR DE RAMEN WANNEER KOU
DE LANGSint-Truiden. NACHT BEDEKT, IJS
EEN SUIKERKRONKEL AAN HET DAK.

DENK NIET AAN HET NOORDEN
ZEI IEMAND.
EN UIT HET ZUIDEN NU DE
VLUCHTELINGEN


Mark BRUYNSEEL in: Fliegerdorf. Open Monumentendag 2006, Sint-Truiden: stadsbestuur, p. 25. Letterontwerp door Jos Geusens. Mark Bruynseel (pseudoniem van Georges Wouters). Gedichten in diverse tijdschriften o.m. De Revisor, Kreatief en De Brakke Hond. Winnaar poëzieprijs Harelbeke 1998. Opgenomen in Nederlandse poëzie van de 19e tot en met de 21e eeuw in 2000 en enige gedichten door Gerrit Komrij.


ONTDEKKING VAN DE DAG

Alomme rust

Alomme rust

De Zondag-middag is héél ingetogen.
De
luchten, klaar van winterkilte, beven
met teeder rood van lage zon doorweven;
de luchten, waar geen vogel komt gevlogen...

De middagrust mag gééne stoornis doogen.
Al
wil somwijlen vluchtig óverzweven
een verre galm van joelend kinderleven :
dra weegt de klare rust weer onbewogen.

Is het in sneeuw – die dezen nacht zoo zacht
de stille stede zwachtelde in heur vacht –
dat doezel-vaag verdooven nu geluiden?

O vrome middagvrede van Sint-Truiden,
dat om te ontwaken uit zijn sluimer, wacht
tot plotse kloosterklokken vespers luiden !




Onderschrift bij deze fotoLit.: P. DE PAUW, recensie in Boekengids, 1, 1923-1924, nr. 361; L. BRANS, Hilarion Thans o.f.m., in Monografieën van de Koninklijke Vereniging van Limburgse Schrijvers, 3, nr. 4, december 1992.
Gedicht in Hilarion THANS, Omheinde hoven, 4de uitgave, Mechelen, Sint-Franciscusdrukkerij, 1927, p. 35.
Hilarion Thans (Maastricht 1884 – Lanaken 1963), minderbroeder en auteur. Gedicht geschreven tussen november 1909 en maart 1910 op onoogige papiertjes toen de jongeman bedlegerig was van een bloedspuwing in het Sint-Truidense klooster. Uit de bundel Ziekebloemen. II. Open ramen. Voor het eerst verschenen onder pseudoniem F.M. Minderbroeder in ’t Daghet in den Oosten, 16, 1910, p. 58 als gedicht nr. XXI met bijhorend citaat Facta est tranquillitas Magna. En er kwam een groote rust (Evang.).