IN HET STILLE DORP, HUIZEN
PIKKEDONKER VERBORGEN ONDER
DE AANPLANT VAN HOOGSTAMBOMEN,
HEEFT IEMAND BESLOTEN
THUIS TE HOREN.
STALEN LUIKEN HANGEN ALS WIMPERS
VOOR DE RAMEN WANNEER KOU
DE LANGSint-Truiden. NACHT BEDEKT, IJS
EEN SUIKERKRONKEL AAN HET DAK.
DENK NIET AAN HET NOORDEN
ZEI IEMAND.
EN UIT HET ZUIDEN NU DE
VLUCHTELINGEN
De Zondag-middag is héél ingetogen.
De luchten, klaar van winterkilte, beven
met teeder rood van lage zon doorweven;
de luchten, waar geen vogel komt gevlogen...
De middagrust mag gééne stoornis doogen.
Al wil somwijlen vluchtig óverzweven
een verre galm van joelend kinderleven :
dra weegt de klare rust weer onbewogen.
Is het in sneeuw – die dezen nacht zoo zacht
de stille stede zwachtelde in heur vacht –
dat doezel-vaag verdooven nu geluiden?
O vrome middagvrede van Sint-Truiden,
dat om te ontwaken uit zijn sluimer, wacht
tot plotse kloosterklokken vespers luiden !

