Behalve een gedeelte van de muur in de tuin van de paters minderbroeders, is de Brustempoort het enige gedeelte van de middeleeuwse omwalling dat de tand des tijds heeft doorstaan. De overblijfselen van de Brustempoort werden in 1897 toevallig ontdekt bij rioleringswerken. Het zou tot 1939 duren vooraleer ze werden uitgegraven. In 1968-69 werd het ondergrondse bolwerk gerestaureerd. De vesting lag hier in het midden van een diepe gracht die na de ontmanteling van de versterkingen gedempt werd. De onderbouw bestaat uit een rechthoekige ruimte (10,7 bij 4,5 m) die in twee verdiepingen verdeeld is. Op elke verdieping leiden gangen naar schietkamers met schietgaten en schoorstenen voor het afvoeren van de kruitdampen. Helemaal beneden is nog een overblijfsel van de eerste stenen omwalling in silex; het overige is uit baksteen. In een schouw waar de vuurpotten werden gevuld om de lonten aan te steken, staat een maquette van de oude Brustempoort. Voorlopig is de Brustempoort niet toegankelijk voor het publiek.

In de oudheid werden in oorlog of jacht veroverde trofeeën aan een stok opgehangen. Dit motief ging een eigen leven leiden als allegorische decoratie. Kalksnijders modelleerden in het nog vochtige stucwerk voorwerpen tussen bloemenslingers aan linten opgehangen.
In het stadhuis op de Grote Markt op het 'schoon verdiep' zijn in de hoge vestibule de vier kunsten en twee speciale thema's uitgewerkt, de zeevaart en het landleven. Die laatste werken dateren waarschijnlijk uit de Hollandse periode (1815-1830) onder burgemeester J.A.N. Van den Berck. Scheepvaart en de Nederlandse vertaling van Vergilius wijzen daarop.
