Gedeeltelijk onder de klaslokalen, ligt de crypte van de abdij. Deze ondergrondse kapel, waarin drie altaren stonden, werd gebouwd onder het hoogkoor van de 11de-eeuwse Romaanse kerk van Adelardus II (1055-1082). Het betreft een ruime (16,25 bij 23,20 m binnen de muren) driebeukige hallencrypte, opgetrokken uit witte zandsteen. Abt Wiric van Staepel (1155-1180) liet op zijn beurt boven de graven van Sint-Trudo en Sint-Eucherius een nieuwe kapel bouwen. Wat nu nog rest, zijn de grondvesten van het gebouw. Om het geheel te beschermen werd het ingekapseld in een moderne constructie. Aansluitend bij de crypte ligt een 18de-eeuwse gang met grafnissen.

In de oudheid werden in oorlog of jacht veroverde trofeeën aan een stok opgehangen. Dit motief ging een eigen leven leiden als allegorische decoratie. Kalksnijders modelleerden in het nog vochtige stucwerk voorwerpen tussen bloemenslingers aan linten opgehangen.
In het stadhuis op de Grote Markt op het 'schoon verdiep' zijn in de hoge vestibule de vier kunsten en twee speciale thema's uitgewerkt, de zeevaart en het landleven. Die laatste werken dateren waarschijnlijk uit de Hollandse periode (1815-1830) onder burgemeester J.A.N. Van den Berck. Scheepvaart en de Nederlandse vertaling van Vergilius wijzen daarop.
