de Meeûs d’Argenteuil, graaf Edouard Marie Paul, politicus

Les Waleffes 14.09.1874  Kerkom 01.03.1944  Rosine de Moffarts van Brienen 

Zoon van graaf Henri de Meeûs en Amélie de Potesta.  

Landbouwingenieur. Kasteelheer  Rood Kasteel Kerkom, in bezit echtgenote. Lid Nationaal Steun- en Voedingscomité. Gemeenteraadslid  en burgemeester  1921-1942 Kerkom. Provincieraadslid  1908-1936 en secretaris raad 1919-1925. Katholiek volksvertegenwoordiger  1913. Lid Hospitaliteit OLV Lourdes. Lid Provinciaal Comité Landschappen. Voorzitter van de Kantonnale Federatie der Boerengilden van Sint-Truiden 

Stichter-voorzitter fanfare Vermaak na Arbeid Aalst  1907. Mede-opsteller namens de Nationaal Katholieken van een open brief 1919 over de taalkwestie in het programma van de Katholieke Vereniging, gericht tegen het Katholiek Vlaamsch Verbond. 

Toevoeging d’ Argenteuil, naar familiedomein bij Ohain, aan familienaam 1938. Vader van o.a. graaf en burgemeester Adhémar (1899-1973) en carmelites Marie-Ange Thérèse de Jesus, Monique de Meeûs (1906-1983).

Lit.: VAN MOLLE, p. 98, EPNB, 1994, p. 56.


ONTDEKKING VAN DE DAG

Een weerwolf in Melveren

Een weerwolf in Melveren

In Melveren , een gehucht van Sint-Truiden, woonde een zekere X. Op zekere dag ging X met zijn vriendin naar de kermis in Kortenbos. Deze man had echter een pact gesloten met de duivel, wat betekende dat hij regelmatig enkele uren als weerwolf moest rondlopen. Omdat X op de kermis plots voelde dat dat moment was aangebroken, zei hij tegen zijn vriendin: "Als je een hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil. Op die manier zal het beest je geen kwaad doen." 

Omdat een weerwolf geen kruis kan oversteken, moet hij de draadjes van de zakdoek één voor één uitrafelen vooraleer hij verder kan. 

Het meisje antwoordde: "Neen, blijf maar bij mij!", waarop haar vriend: "Neen, ik moet dringend even een boodschap doen." 

Toen X weg was, kwam er een lelijke zwarte hond naar het meisje toe. Ze deed onmiddellijk wat haar vriend had gezegd, waarop de hond de zakdoek in stukken scheurde. Een kwartier later kwam X terug. Zijn vriendin vertelde hem dat ze doodsangsten had uitgestaan terwijl hij weg was. Wat verderop ging het tweetal iets drinken in een café. Het meisje bekeek haar vriend eens goed, en riep geschokt: "Jij smeerlap, je bent het zelf geweest, want de vezels van de zakdoek hangen nog tussen je tanden!" 

X zei dat ze het zich maar inbeeldde, maar het meisje wilde hem toch nooit meer zien.


Opgetekend door F. Beckers in 1947.
Bron: volksverhalenbank.be