Plankstraat 13

Neoclassicistisch herenhuis, Plankstraat 13-15 ("Huize Thenaers")

Onderschrift...
Onderschrift...
De Plankstraat werd decennialang bepaald door de abdijmuur aan de ene zijde en een lange huizenrij aan de andere zijde. In de negentiende eeuw werden deze beide gesloten zijden op enkele plaatsen geopend. Eugenius Lambertus Debruyn, hoofdgeneesheer van het Hospitaal van de Zusters van Liefde in Sint-Truiden, kocht zo bijvoorbeeld, in 1854, zeven percelen die samen een groot rechthoekig geheel vormden. Aan de straatzijde waren op deze percelen zes kleine huizen te zien. De twee noordelijke huizen werden al in 1859 gesloopt en vervangen door een koetshuis; de overige vier verdwenen in 1871 om plaats te maken voor een nieuw herenhuis, vandaag te zien op huisnummer 13-15. Het pand werd licht teruggetrokken gebouwd, waardoor de geslotenheid van de Plankstraat hier nu gebroken wordt.

Het herenhuis werd vermoedelijk ontworpen door de Doornikse architect Justin Bruyenne in 1869. De bouwwerken startten net voor 15 juli 1871. Het huis groeide in de decennia daarna verder mee met de noden van de eigenaar: in 1889 werd de achterliggende bergplaats uitgebreid, in 1901 en 1902 kwamen er bureauruimtes en een bijgebouw bij ("maison, banque et remise"). De initialen "DB" in het smeedijzeren bovenlicht van de voordeur, in de glaspanelen van de achterpoort en in het hekwerk herinneren nog aan bouwheer Debruyn.

Architecturaal is het een sober neoclassicistisch huis van drie bouwlagen op drie bij zes traveeën, opgetrokken in roodbruin baksteenmetselwerk met een rijker uitgewerkte, hardstenen voorgevel. Opvallend is het portaal met balkon aan de voorgevel: dit is uitgevoerd in gewapend beton, een techniek die zich pas vanaf het midden van de 19de eeuw verspreidde. Ondanks het feit dat België, mede door de aanwezigheid van François Hennebique, zeer vroege toepassingen van beton kende, lijkt het onwaarschijnlijk dat het betonnen portaal in de Plankstraat reeds in 1871 is ontstaan. Een latere datering, mogelijk samenhangend met een verbouwingsvergunning uit 1937, is dan ook waarschijnlijker.

Belangrijke bewoners

Na het overlijden van E. L. Debruyn in 1904 erfde zijn zoon Léon Debruyn, bankier van beroep, het pand. Hij verkocht het in 1917 aan de Naamloze Maatschappij Centrale Bank van Limburg, waarbij het huis in het kadaster als "bank" werd omschreven en een deel van de tuin werd afgesplitst.

In 1925 kwam het pand in handen van notaris (en later erenotaris) William Thenaers, die van 1933 tot 1949 burgemeester van Sint-Truiden was. Onder de familie Thenaers kreeg het gebouw opnieuw een woonfunctie, die behouden bleef tot de site in 2017 werd verkocht. Vermoedelijk gaat een deel van de interieuraanpassingen terug op deze overgang van bankgebouw naar woonhuis in het eerste kwart van de 20ste eeuw.

In 1997 werd het herenhuis beschermd omwille van haar architectuurhistorische waarde als “alleenstaand, neoclassicistisch enkelhuis met gaaf interieur”, voorafgegaan door een smeedijzeren inrijhek uit de tweede helft van de 19de eeuw. In de volksmond staat het bekend als "Huize Thenaers", naar zijn laatste bewoners.

Recente restauratie

Bij de aankoop in 2017 kreeg het pand een nieuwe bestemming als kantoorgebouw. Voor de site werd een beheersplan opgesteld met doelstellingen voor de komende twintig jaar, gericht op het vrijwaren en versterken van de erfgoedwaarden.

Centraal in de restauratie stond het behoud van de gevels en de constructieve structuur van het 19de-eeuwse herenhuis: herstel van de stabiliteit met verdere monitoring, vernieuwing van het dak, verwijdering van huiszwam en gevelherstel. Ook het bestaande schrijnwerk van ramen en deuren werd hersteld, geschilderd en waar nodig gedeeltelijk vernieuwd. In het interieur werden de erfgoedelementen— stucplafonds, wandpanelen, vloeren, binnenschrijnwerk —hersteld, in het bijzonder op plaatsen waar vroegere ingrepen schade hadden aangericht.

Een belangrijke ingreep was de afbraak van de bijgebouwen tegen de noordelijke zijgevel, waardoor het herenhuis opnieuw vrijstaand kwam te liggen — een voorwaarde die als essentieel wordt beschouwd om de erfgoedwaarde ook in de toekomst te bewaren. Verder werden de voortuin met haar smeedijzeren hekwerk en gekasseide oprit, de twee hulstbomen aan de voorzijde en de witte paardenkastanje in de achtertuin bewust behouden en krijgen een aangepast beheer. Tot slot werd het interieur gerenoveerd en de technische installaties vernieuwd, met behoud van de oorspronkelijke indeling zodat een toekomstige functiewijziging mogelijk blijft. 


Plankstraat 13


 

ONTDEKKING VAN DE DAG

Onze vierde toren staat in Mechelen

De stad Mechelen groeide bij de Dijle en lag in de middeleeuwen dus op de vaarroute tussen Zoutleeuw en Antwerpen in het hertogdom Brabant. De abdij van Sint-Truiden had er ooit haar ambassade.

Het Groen Waterke, een vliet aan de Ankerbrug in de schaduw van de Sint-Romboutskathedraal, is het meest schilderachtige plekje van de stad om te fotograferen. Vlakbij liggen de vluchthuizen van belangrijke abdijen: Affligem, Tongerlo en Sint-Truiden. In de woelige 16de eeuw, toen protestanten in de Nederlanden rebelleerden, hielden de abdijen van het platteland graag een pied-à-terre binnen de veilige wallen van een stad. Die ‘refuge’ was ooit nuttig voor lobbywerk in vredestijd. Zeker in Mechelen, toen zowat de hoofdstad van de Nederlanden.

Ook in Sint-Truiden zochten abdijen en kloosters van de verre omgeving hun toevlucht. We kennen nu vooral nog de refuges van Averbode (Ursulinen) en Herkenrode (vroeger de ‘Broeders’ in de Schepen Dejonghstraat). Jozef Smeesters somt er in de catalogus ‘18de eeuw’ bij de Trudofeesten 1993 nog een hele reeks andere op. De refugie van de vrouwenabdij van Nonnemielen werd later legerkazerne en verdween voor het administratief centrum. De praktijk van zo’n vluchthuis vinden we bijvoorbeeld in het archief van de Zepperse begaarden. Die hadden hun toevluchtwoning in de Gangelofparochie. Ze verhuurden het in 1678 aan een edelman uit Aalst, met last om in oorlogstijd plaats te ruimen. De pachter van de kloosterhoeve kreeg in zijn contract de verplichting om in woelige tijden alle meubels naar Sint-Truiden te voeren. Hij kreeg daarvoor kost en drank. Ook het kloostergraan, waardevast kapitaal, werd altijd naar de zolder in de veilig omwalde stad gereden. Na het ontmantelen van de wallen en poorten in 1675 op bevel van de Franse zonnekoning lag het stadscentrum wel open en bloot.

De Truiense abt Joris Sarens was geboren in Mechelen in 1477. Zijn broer, kanunnik Willem, liet rond 1540 in zijn vaderstad een prachtig gebouw met traptorentje en drie vleugels rond een binnenplaats metselen. Een combinatie van roze baksteen met witte kalkzandsteen. Enkele jaren later erfden broer Joris en de abdij van Sint-Truiden het pand. In 1611 kwam het in louter Mechelse privéhanden. Een stoute Mechelse bron schrijft de verkoop toe aan het geldgebrek van onze abdij, geplaagd door de Opstand in de Nederlanden en Luik.

De ranke traptoren is alleen onderaan nuttig, de rest is pure pronk en status. Wel een boeiende, hoge uitkijkpost in een tijd toen de mensen niet vlogen. Je kan het best vergelijken met het Antwerps torentje in het stadskwartier te Bokrijk. Het beschermde gebouw, lange tijd archief van het aartsbisdom, is in 2000 op kosten van de provincie Antwerpen schitterend gerestaureerd. Het doet onder meer dienst als conferentieplek voor de Belgische bisschoppenraad. De Antwerpse deputatie gaf bij de restauratie een glossy brochure uit in 2000. 


Lees: Linda VAN LANGENDONCK, Monnikenwerk- en engelengeduld: geschiedenis en restauratie van de voormalige refuge van Sint-Truiden te Mechelen, Antwerpen: Provincie Antwerpen Dienst Kunstpatrimonium, 2000.