Sint-Truiden 04.12.1795 Sint-Truiden Speelhof 17.11.1874 nicht Laure de Pitteurs
Zoon van Jean Théodore Balthazar, advocaat en burgemeester Sint-Truiden en Christine Josephine Colen . Vader van gouverneur Henri, broer van agronoom Charles te Ordingen en schoonbroer van volksvertegenwoordiger Henri de Pitteurs . Studeerde rechten te Brussel 1816. Agronoom. Verkiesbaar in de Senaat. Lid regentraad Zepperen 1818 en gemeenteraad Sint-Truiden 1824-1845 en 1852-1874. Lid van de Provinciale Staten 1822-1836, provincieraadslid 1839-1848 en voorzitter van deze raad 1839-1848. Oprichter-bevelhebber van burgerwacht met blauw-gele kokarde tijdens troebelen september 1830. Voorzitter Kerkfabriek Schurhoven. Raadslid burgerlijke hospitalen 1828-1850 en Berg van barmhartigheid 1829-1849. 1830 interim gouverneur, 1871 baron. Kasteelheer Speelhof . Liberaal, later katholiek senator en senaatssecretaris 1848-1874. Ondervoorzitter commissie binnenland 1854-1859. Voorzitter commissie landbouw, nijverheid en handel 1852-1874. Leidde drooglegging meer van Zoutleeuw en toonde op nationale tentoonstelling Brussel 1848 landbouwproducten daar op geteeld. Ondervoorzitter Hoge landbouwraad 1851-1853, 1859, 1867-1869. Voorzitter landbouwcomice Sint-Truiden 1851-1874. Voorzitter provinciale landbouwcommissie 1860-1874. Lid van de provinciale statistiekcommissie 1860-1874 met onderbrekingen. Ondervoorzitter Centrale landbouwmaatschappij België. Baron 1871. Medestichter Katholieke Associatie en Cerkel 1868. Begraven in Begijnhofkerk .
Wapen: gevierendeeld, in 1 en 4 op zilver een groene leeuw, rood geklauwd en getongd, met schuinbalk van goud, beladen met vier zwarte koeken. In 2 en 3 van zilver drie rode kruisjes in reeks met bovenaan groene band. Getopt door een baronnenkroon. Voor de tak Speelhof: schildhouders twee gouden leeuwen en wapenspreuk Periturus non abiturus. Andere leuze in Begijnhofkerk Niet zonder Gods hulp.
In het bekken van de Melsterbeek volgen de beken eerst zuid-noord het dalend reliëf van ca. 100 naar 35 meter boven zeespiegel. Net noordelijk van het stadscentrum van Sint-Truiden buigt de Melsterbeek zelf naar het noordwesten en ontvangt de Cicindria in Melveren en de Molenbeek in Runkelen. Ze loopt dan een tijdje zij-aan-zij met de Gete en vloeit samen bij Donk. Via Demer, Dijle en Rupel gaat het richting Schelde.

De naam ‘Melster’ komt waarschijnlijk van het woord malter of mout, maar in de lokale volksmond is het gewoon ‘molenbeek’ als grootste waterloop. Ze ontspringt in Heiselt bij Jeuk, vlakbij de taalgrens. Ze is 33 kilometer lang. Waterlopen schuren beekvalleien uit en de kleilagen onder de ijstijdleem in Vochtig Haspengouw doen talrijke bronnetjes dagzomen. Langs de oevers van de Melsterbeek groeide een ketting van dorpen met omgrachte kastelen en zelfs abdijen in Nonnemielen en Terbeek. Haar stroomkracht deed graanwatermolens draaien. In Sint-Truiden zijn dat de dorpen Aalst, Brustem, Ordingen, Zepperen, Melveren, Metsteren en Runkelen.

De beken kennen in deze streek een vrij hoog verval met piekdebieten. Voor de waterbeheersing waren wachtbekkens nodig, o.m. voor de Melsterbeek in Aalst, Ordingen en Bernissem. De natte gronden in de beekvalleien waren in de 19de-20ste eeuw met waterzuchtige Canadapopulieren beplant, nuttig voor klompen, minder duurzaam timmerwerk en kisthout.


Een vistelling in 2012 bij Metsteren leverde volgende soorten op: driedoorn stekelbaars, tiendoorn, riviergrondel, bermpje en blauwband. De molenwatervallen zijn wel een drempel voor hun migratie voor paai, rust en voedselgaring, onderzoek Stef Cools.
