Oorspronkelijk waren dit twee 17de-eeuwse diephuizen, zoals aan de achtergevels nog duidelijk herkenbaar is. De huisnaam 'In die Gulden Lelie' wordt reeds vermeld in de lijst van parochianen van OLV-kerk in 1635, volgens dezelfde lijst heette het andere oorspronkelijke huis 'Den cleynen Engel'. Eind 18de eeuw werd het pand met het naastliggende samengevoegd achter een neo-classicistische monumentale gevel met fronton. Onder de naam 'De Olifant' had Guillaume Baltus, een notariszoon uit Kanne, en zijn Maastrichtse echtgenote Hubertine Damen hier een kruidenierszaak. Onder de zonen Louis en Richard groeide deze onderneming uit tot een waar imperium in koloniale waren. Richard huwde met buurmeisje Emerence Van Horen en ging in het ouderlijke huis Van Horen 'De Roos' wonen. Na het overlijden van vader Guillaume in 1876 bleef dit het woonhuis van Louis Baltus met de winkel 'De Olifant'.

In het bekken van de Melsterbeek volgen de beken eerst zuid-noord het dalend reliëf van ca. 100 naar 35 meter boven zeespiegel. Net noordelijk van het stadscentrum van Sint-Truiden buigt de Melsterbeek zelf naar het noordwesten en ontvangt de Cicindria in Melveren en de Molenbeek in Runkelen. Ze loopt dan een tijdje zij-aan-zij met de Gete en vloeit samen bij Donk. Via Demer, Dijle en Rupel gaat het richting Schelde.

De naam ‘Melster’ komt waarschijnlijk van het woord malter of mout, maar in de lokale volksmond is het gewoon ‘molenbeek’ als grootste waterloop. Ze ontspringt in Heiselt bij Jeuk, vlakbij de taalgrens. Ze is 33 kilometer lang. Waterlopen schuren beekvalleien uit en de kleilagen onder de ijstijdleem in Vochtig Haspengouw doen talrijke bronnetjes dagzomen. Langs de oevers van de Melsterbeek groeide een ketting van dorpen met omgrachte kastelen en zelfs abdijen in Nonnemielen en Terbeek. Haar stroomkracht deed graanwatermolens draaien. In Sint-Truiden zijn dat de dorpen Aalst, Brustem, Ordingen, Zepperen, Melveren, Metsteren en Runkelen.

De beken kennen in deze streek een vrij hoog verval met piekdebieten. Voor de waterbeheersing waren wachtbekkens nodig, o.m. voor de Melsterbeek in Aalst, Ordingen en Bernissem. De natte gronden in de beekvalleien waren in de 19de-20ste eeuw met waterzuchtige Canadapopulieren beplant, nuttig voor klompen, minder duurzaam timmerwerk en kisthout.


Een vistelling in 2012 bij Metsteren leverde volgende soorten op: driedoorn stekelbaars, tiendoorn, riviergrondel, bermpje en blauwband. De molenwatervallen zijn wel een drempel voor hun migratie voor paai, rust en voedselgaring, onderzoek Stef Cools.
