de Pitteurs Hiegaerts, baron Edmond (Charles Joseph Théodore), diplomaat

ST 11.01.1831  – Sint-Petersburg 15.09.1896 , x gravin Mathilde d’Arschot-Schoonhoven, xx Maria Feodorovna de Tzernichoff 

Broer van gouverneur Henri. Baron. Diplomaat Pruisen, Oostenrijk, Roemenië, Portugal, Zweden, Noorwegen en Denemarken. Ambassadeur bij de Heilige stoel 1885. Hertrouwde in 1892 met een generaalsdochter en weduwe van baron van Maydell. Buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van de koning bij de Russische keizer Sint-Petersburg 1888. Begraven in familiegraf Begijnhofkerk met lijkrede door minister de Favereau. Zoon Théodore (1872-1904) was ook diplomaat. Dochter Mathilde (1874-1941) huwde in 1900 graaf Jean d’Irumberry de Salaberry.

Publ.: Rapport sur l’impot du revenu en Prusse (Modifications à la loi du 1 mai 1851 par la loi du 25 mai 1873), in Recueil des rapports des secrétaires de légation de Belgique, 2, afl. 4, Brussel: Tarlier, oktober 1873, p. 45-75.


ONTDEKKING VAN DE DAG

De Alvermannekes

De Alvermannekes

Te Engelmanshoven  heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:

'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',

dan kwamen ze uw werk doen. '

Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.

'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.


Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.

'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'

Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:

'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!' 

en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.

Opgetekend door F. Beckers in 1948

 Bron: volksverhalenbank.be