Met de inrichting van het bedrijvenpark op de vroegere luchtmachtbasis Brustem werd het toestel dat het stuntteam Rode Duivels van de Belgische luchtmacht gebruikte met een straatnaam gehuldigd.

Fouga CM-170 Magister | |||
![]() | |||
Algemeen | |||
Rol | Jager/trainer | ||
1 of 2 | |||
Afmetingen | |||
10,6 m | |||
2,8 m | |||
12,2 met tiptanks m | |||
Vleugeloppervlak | 17,3 m² | ||
Gewicht | |||
Leeggewicht | 2150 kg | ||
Startgewicht | 2850 kg | ||
Max. gewicht | 3200 kg | ||
Krachtbron | |||
2x Turbomeca Marboré turbojet | |||
elk 3,9 kN | |||
Prestaties | |||
Topsnelheid | 715 km/h | ||
Actieradius | 935 km | ||
Dienstplafond | 11000 m | ||
Bewapening | |||
150 kg op 2 hardpoints | |||
ongeleide raketten en 2x 7,62mm FN mitrailleur | |||
| |||
De Fouga CM-170 Magister is in de beginjaren 50 van de 20e eeuw ontwikkeld als een lichte tweemotorige jager/trainer voor de Franse luchtmacht (ALA) door het Franse Air Fouga. Het toestel is voorzien van twee achter elkaar geplaatste zitplaatsen in een drukcockpit.
Het toestel werd gekenmerkt door een V-vormige staartsectie. Het werd mede een commercieel succes omdat het als trainer en als lichtbewapende dagjager kon worden gebruikt. De Fouga Magister is dan ook aan vele landen verkocht.
In mei 1958 werd Air Fouga overgenomen door Ets. Henry Potez; de firmanaam werd Potez-Air Fouga. In 1966 werd ook Potez overgenomen door Sud-Aviation. Enige tijd later veranderde de naam door fusies met andere firma’s in Aérospatiale.
De Duitse Luftwaffe had belangstelling voor de Fouga Magister; er werden er 40 gekocht en nog eens 244 in licentie door Heinkel-Messerschmitt (Union-Sud) afgeleverd voor Luftwaffe en Marineflieger. Andere licentiebouwers waren het Finse Valmet Oy en het Israëlische IAI.
De Fouga Magister was in dienst van de luchtmacht van Algerije, België, Brazilië, Kameroen, Finland, Frankrijk, West-Duitsland, Ierland, Cambodja, Libanon, Marokko, Rwanda, El Salvador, Togo en Oeganda.
Het succes van de Fouga Magister werd onderstreept doordat twee luchtmacht-demonstratieteams het toestel jarenlang gebruikten. De Franse "Patrouille de France" en de Belgische "Rode Duivels", deze laatste vanop hun thuisbasis te Brustem
De Franse bezetter had vanaf 1795 alle kerkelijke bezittingen vogelvrij verklaard. De openbare verkoop ervan lokte ondernemers aan. Zo werd de commanderij Bernissem van de Duitse ridderorde opgekocht door de Sely-Longchamp en schoonzoon Hyacinthe de Chestret startte er in 1839 een bietsuikerfabriek. In 1880 was er een zware brand en agronoom Jules Cartuyvels herbouwde de fabriek, die tot in 1913 bleef werken.
In de volksmond bleef de herinnering aan de brand bewaard, geromantiseerd voor het stedelijk infoblad 'Hier en Nu' in de jaren 1965-1976 door landbouwleraar en stadssecretaris Georges Vandenborne, die afkomstig was van Bernissem. De 'Commeduur' zou later door hem nog opgevist worden in de carnavalsorde 'van de Commeduur' en in de 'Commanderie' van de fruitteeltlobby. Roger Collart bundelde diverse verhalen van Vandenborne in zijn cursus volksverhalen en legendes.
“Uchtern” zuchtte de totaal versleten vrouw gelaten, “dat wordt niet meer gedaan. De mensen hebben geen tijd meer om avond aan avond gedurende de lange wintermaanden dicht bijeen rond het haardvuur te kruipen. De televisie heeft de legendes verjaagd. Vroeger, toen ik jong was, vertelde mijn grootmoeder nog al die oude verhalen. Eerst verplichtte ze iedereen geduldig in de vlammen te staren, wel een uur lang. Er werd weinig gesproken. De mannen gaven de brandewijn door. De vrouwen naaiden tevreden omdat het klein grut weer voor een paar uren verzadigd was aan aardappelen met melksaus. Vroeger…” Haar blik richtte zich weer op de vlammen, als zocht ze daarin het antwoord op die onbegrijpelijke beschaafde, kille 20ste eeuwse wereld, en dat antwoord kwam… We tuurden nu allemaal in de vlammen, we wilden zien wat de oude vrouw zag…
“Kent ge de hoeve van Bernissem”? Ze zweeg even maar niemand onderbrak haar. We zochten het antwoord van die kronkelende slangen. “Jaren geleden kon je de hoeve al van ver zien liggen als je in de richting van Terbiest wandelde. De hoge bomen piekten als een beschermende haag rond de hoeve, maar dat belette niet dat hier en daar vlekjes verweerd baksteen tussen de takken glinsterden. Ze had er altijd al gestaan zolang als ik leefde, zo langs als mijn grootmoeder leefde. We wisten wel dat de Tempeliers er eeuwen en eeuwen geleden hun “kommeduur” strenge gehoorzaamheid verschuldigd waren. Bernissem was een kommanderij van de Teutoonse ridderorde, een van de vele. En de kommeduur, de “comthur” noemden de ridders hem, was geliefd bij zijn mensen en bij de bevolking. De jaren regen zich aaneen tot een snoer van rustige eeuwen en toen gebeurde het…” Eén vlam spetterde plots hoog op, het hout knetterde en wierp gensters de kamer in. Gefascineerd bleven we de vlammen fixeren.
“De Fransen kwamen”. Even keek de oude vrouw op. “Er zijn er velen geweest, maar toen mijn grootmoeder nog een jonge stevige vrouw was (ze moet toen vijftien of zestien jaar geweest zijn) waren de Fransen in het land. Napoleon wierp heel Europa aan zijn voeten. Het ene decreet na het andere ontnam onze mensen hun vrijheden. Ook de Truiense ridderorde werd ontbonden. Bernissem werd een suikerfabriek. De boeren uit de omgeving meden haar zoveel mogelijk want Bernissem stierf voor hun ogen”.
De oude vrouw leek voor onze ogen in elkaar te schrompelen. “De fabriekslui zorgden niet voor het landgoed. Bernissem werd niet met liefde behandeld. Voor hen was de hoeve slechts een opeenhoping van bakstenen en pannen, toevallig bruikbaar als fabriek. Zo een houding vroeg om ongelukken. Toen mijn grootmoeder zowat twintig jaar was, sloeg de brandklok op zekere nacht alarm. In hun lange onderbroeken holden de mannen naar de plaats van het onheil: van ver zag je het vuur al boven de bomen uitslaan. Bernissem werd door de vlammen verwoest. Ook de vrouwen renden naar de hoeve toe en de kinderen sukkelden er achter aan. Met emmers, kommen, ketels en pannen werd gezeuld om te redden wat er te redden viel. Te laat echter… het ogenblik kwam dat de toegeschotenen het moesten opgeven, machteloos stonden ze daar toe te kijken hoe de eeuwenoude hoeve onder hun ogen tot puin verviel, tot plotseling… een bloedrood waas zich verspreidde op de plaats waar voorheen de kapel stond. Er ging een rilling door het publiek maar toch bleven ze aan de grond genageld staan. Voor hun ogen ontplooide het bloedrode waas zich tot een prachtig misgewaad en boven het misgewaad verschenen heel vaag het hoofd en de gelaatstrekken van de laatste kommeduur. Toen zagen ze ook zijn handen, twee lijkwitte handen in een zegenend gebaar boven een kelk gestrekt. De kommeduur las de mis ! De kommeduur nam wraak!
De baldadigheid van Napoleon was eindelijk gewroken! Vol eerbied volgden de omstaanders de plechtigheid. Toen het vuur in de ruïne uitdoofde, verlieten ze in alle stilte de plaats van het onheil. De kommeduur kon voor eeuwig rusten…”