Jan-Hendrik Bormanspad

Jan-Hendrik Bormanspad

Jan Hendrik Bormans werd op 17.11.1801 in Sint-Truiden geboren als zoon van tabakshandelaar en gemeenteonderwijzer Willem uit Gingelom en Marie Françoise Vandevelde. Hij was leerling aan het College in Sint-Truiden en studeerde vervolgens klassieke talen in Luik. Als docent en principaal van het College Sint-Truiden (1825-1834) toonde hij zich bekommerd om het moedertaalonderricht, werd rector van het College Hasselt (1834-1835) en hoogleraar Nederlandse en later Griekse letteren aan de Rijksuniversiteit Gent 1835-1837. Door contact met Gentse flaminganten groeide de interesse voor het Middelnederlands. Hij werd vervolgens hoogleraar klassieke talen aan de Rijksuniversiteit Luik 1837-1865, vanaf 1851 ook Nederlands. Lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten in 1847. Lid van de Spellingscommissie en promotor eenmaking van de Noord- en Zuid-Nederlandse spelling. Lid van de Commission permanente chargée de la publication des anciens monuments de la littérature flamande 1848. Ruim 63 boeken en bijdragen over Latijnse taal en letterkunde, Oudfranse literatuur en Middelnederlandse letteren. In 1850 publiceerde hij Het leven van Sint-Christina de Wonderbare en in 1857 Het leven van Sint-Lutgard. In 1857 kondigde hij ook de ontdekking van de Sint-Servatiuslegende van Hendrik van Veldeke aan. Hij overleed te Luik op 03.06.1878.

Hij was gehuwd met Maria Esselen en vader van geschiedkundige Stanislas Bormans.

Wie was wie in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

Alomme rust

Alomme rust

De Zondag-middag is héél ingetogen.
De
luchten, klaar van winterkilte, beven
met teeder rood van lage zon doorweven;
de luchten, waar geen vogel komt gevlogen...

De middagrust mag gééne stoornis doogen.
Al
wil somwijlen vluchtig óverzweven
een verre galm van joelend kinderleven :
dra weegt de klare rust weer onbewogen.

Is het in sneeuw – die dezen nacht zoo zacht
de stille stede zwachtelde in heur vacht –
dat doezel-vaag verdooven nu geluiden?

O vrome middagvrede van Sint-Truiden,
dat om te ontwaken uit zijn sluimer, wacht
tot plotse kloosterklokken vespers luiden !




Onderschrift bij deze fotoLit.: P. DE PAUW, recensie in Boekengids, 1, 1923-1924, nr. 361; L. BRANS, Hilarion Thans o.f.m., in Monografieën van de Koninklijke Vereniging van Limburgse Schrijvers, 3, nr. 4, december 1992.
Gedicht in Hilarion THANS, Omheinde hoven, 4de uitgave, Mechelen, Sint-Franciscusdrukkerij, 1927, p. 35.
Hilarion Thans (Maastricht 1884 – Lanaken 1963), minderbroeder en auteur. Gedicht geschreven tussen november 1909 en maart 1910 op onoogige papiertjes toen de jongeman bedlegerig was van een bloedspuwing in het Sint-Truidense klooster. Uit de bundel Ziekebloemen. II. Open ramen. Voor het eerst verschenen onder pseudoniem F.M. Minderbroeder in ’t Daghet in den Oosten, 16, 1910, p. 58 als gedicht nr. XXI met bijhorend citaat Facta est tranquillitas Magna. En er kwam een groote rust (Evang.).