Jozef van Overstraetenstraat

Jozef van Overstraetenstraat

Jozef Van Overstraeten is in Sint-Truiden geboren op 2 mei 1896 als zoon van gemeenteonderwijzer Antoon, van Zoutleeuw, en Maria Elisabeth Célestine Ceulemans. Zijn moeder stond ook in het onderwijs en was dochter van de dorpsonderwijzer in Kozen. Examen onderwijzer 1915. Regentdiploma in Malonne wegens WO I. Leraar Nederlands aan de Rijksmiddelbare school Sint-Truiden, maar wegens activisme vanaf 1916 afgezet. Huisleraar bij dr. Van de Perre en leraar Nederlands Rijksmiddelbare school in Aalst 1920 en in Sint-Jans-Molenbeek vanaf 1946. Lic. kunstgeschiedenis en oudheidkunde Gent 1930, kandidaat pedagogie Gent. Diploma’s landmeter, bibliothecaris 1922 en tuinbouwkundige.

Actief in Taalgrens Wakker. Contacten met priester Gantois van Frans-Vlamingen. Medestichter VTB tijdens zijn militaire dienst in Duitsland. Bestuurslid 1925 en voorzitter 1962 Vlaamse Toeristenbond-Vlaamse Automobilistenbond, Vlaamse kampeertoeristen 1950. Stichtend voorzitter Verbond voor Heemkunde 1941. Hoofdredacteur De Toerist 1926 en De Autotoerist 1948. Stichter tijdschriften De Badgast 1933, Heemkunde 1942, Het Land van Aalst 1952. Reeks Vlaamse toeristische bibliotheek 1962-1987. Schorsing en internering 1944. Lid Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen en Kultuurraad voor Vlaanderen. Voorzitter Vlaamse VWB en Stevin-stichting. Publicaties heemkunde, toerisme, restaurants, automobilisme, flamingantisme en familienamen. Pseud. ‘Huib Ceulemans’, ‘Jozef Van der Meulen’, ‘Johannes Viator’. Artikelenreeksen Wat betekent mijn familienaam? en Zon en schaduw over Vlaanderen in de VTB-bladen. Feestredenaar. Stichter diverse prijzen.

Hij was gehuwd met Paulina Willems en vader van oostfronter en Waals senator Toon Van Overstraeten. Hij overleed in het ziekenhuis te Leuven op 05.10.1986 en werd begraven in Aalst, OVL, zijn woonplaats. Op 2 mei 1986 was er een viering als ereburger door de stad Sint-Truiden.

Wie was wie in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

Onze vierde toren staat in Mechelen

De stad Mechelen groeide bij de Dijle en lag in de middeleeuwen dus op de vaarroute tussen Zoutleeuw en Antwerpen in het hertogdom Brabant. De abdij van Sint-Truiden had er ooit haar ambassade.

Het Groen Waterke, een vliet aan de Ankerbrug in de schaduw van de Sint-Romboutskathedraal, is het meest schilderachtige plekje van de stad om te fotograferen. Vlakbij liggen de vluchthuizen van belangrijke abdijen: Affligem, Tongerlo en Sint-Truiden. In de woelige 16de eeuw, toen protestanten in de Nederlanden rebelleerden, hielden de abdijen van het platteland graag een pied-à-terre binnen de veilige wallen van een stad. Die ‘refuge’ was ooit nuttig voor lobbywerk in vredestijd. Zeker in Mechelen, toen zowat de hoofdstad van de Nederlanden.

Ook in Sint-Truiden zochten abdijen en kloosters van de verre omgeving hun toevlucht. We kennen nu vooral nog de refuges van Averbode (Ursulinen) en Herkenrode (vroeger de ‘Broeders’ in de Schepen Dejonghstraat). Jozef Smeesters somt er in de catalogus ‘18de eeuw’ bij de Trudofeesten 1993 nog een hele reeks andere op. De refugie van de vrouwenabdij van Nonnemielen werd later legerkazerne en verdween voor het administratief centrum. De praktijk van zo’n vluchthuis vinden we bijvoorbeeld in het archief van de Zepperse begaarden. Die hadden hun toevluchtwoning in de Gangelofparochie. Ze verhuurden het in 1678 aan een edelman uit Aalst, met last om in oorlogstijd plaats te ruimen. De pachter van de kloosterhoeve kreeg in zijn contract de verplichting om in woelige tijden alle meubels naar Sint-Truiden te voeren. Hij kreeg daarvoor kost en drank. Ook het kloostergraan, waardevast kapitaal, werd altijd naar de zolder in de veilig omwalde stad gereden. Na het ontmantelen van de wallen en poorten in 1675 op bevel van de Franse zonnekoning lag het stadscentrum wel open en bloot.

De Truiense abt Joris Sarens was geboren in Mechelen in 1477. Zijn broer, kanunnik Willem, liet rond 1540 in zijn vaderstad een prachtig gebouw met traptorentje en drie vleugels rond een binnenplaats metselen. Een combinatie van roze baksteen met witte kalkzandsteen. Enkele jaren later erfden broer Joris en de abdij van Sint-Truiden het pand. In 1611 kwam het in louter Mechelse privéhanden. Een stoute Mechelse bron schrijft de verkoop toe aan het geldgebrek van onze abdij, geplaagd door de Opstand in de Nederlanden en Luik.

De ranke traptoren is alleen onderaan nuttig, de rest is pure pronk en status. Wel een boeiende, hoge uitkijkpost in een tijd toen de mensen niet vlogen. Je kan het best vergelijken met het Antwerps torentje in het stadskwartier te Bokrijk. Het beschermde gebouw, lange tijd archief van het aartsbisdom, is in 2000 op kosten van de provincie Antwerpen schitterend gerestaureerd. Het doet onder meer dienst als conferentieplek voor de Belgische bisschoppenraad. De Antwerpse deputatie gaf bij de restauratie een glossy brochure uit in 2000. 


Lees: Linda VAN LANGENDONCK, Monnikenwerk- en engelengeduld: geschiedenis en restauratie van de voormalige refuge van Sint-Truiden te Mechelen, Antwerpen: Provincie Antwerpen Dienst Kunstpatrimonium, 2000.