Nicolas Bernard de Borchgrave tot Bovelingen werd op 16 juli 1714 als zoon van Michel Frans baron de Borchgrave en van Marie Thérèse barones de Geloes gedoopt in Bovelingen. Hij groeide op het kasteeldomein in Bovelingen op en werd op 30 juni 1743 in de Duitse Orde opgenomen te Brühl. Hij was achtereenvolgens commandeur van Ramesrdorf (1744 – 1749), van Jungen Biesen in Keulen (26 oktober 1749 – 1757), van Bernissem (1757 – 1770) en tenslotte van Gemert (1770 tot zijn overlijden op 13 juni 1777). Hij overleed in Mannheim en werd daar in de grafkelder van de garnizoenskerk begraven. Hij was kolonel van de bereden lijfwacht van keurvorst Carl-Theodor, een uitermate prachtlievende vorst, hetgeen meer een hoffunctie dan wel een militaire taak was. De keurvorst resideerde hoofdzakelijk in Mannheim, maar ook in Heidelberg en Düsseldorf. Vermoedelijk vergezelde Nicolas Bernard de keurvorst telkens. Ondanks de opdrachten aan het hof van de keurvorst, en het mondaine leven dat ermee gepaard ging, heeft Nicolas Bernard zich wel degelijk ook ter plaatse met het domeinbeheer in Bernissem bemoeid.
Leden van de Duitse Orde in de balje Biesen, Bilzen, 1994
Zijn wapenschild pronkt in het driehoekige fronton boven de monumentale schuur op het neerhof van de vroegere commanderij Bernissem.

Tekening van de commanderij van Brnissem
De Luikse architect Etienne Fayn slaagde erin om een mooi stadhuis in Luikse classicisme te ontwerpen rond de oude halle en de belforttoren. De stadsmagistraat betrok zijn nieuwe symmetrische bouw in juli 1759 onder begeleiding van drie kanonsalvo's. De interieurafwerking, vooral door de modieuze Luikse vakmensen, moest toen nog beginnen.
Maar... die saaie horizontale kroonlijst wou de stad als bouwheer toch verbeteren. Kijkend naar Brabant en Antwerpen liet ze in 1766 zwierige frontons met klokgevel, curven en tegencurven plaatsen aan de hoofdgevel. Pater minderbroeder Johannes Bolgrez bracht een plan mee uit Antwerpen. Ook kwam er een dubbele puitrap naar de verdieping, om de begane grond te kunnen verhuren. Enkele jaren later verdween deze blijkbaar té bombastische ingreep terug.
Eigentijds kroniekschrijver Debruyn is genadeloos voor zoveel pretentie en tekent - met veel lekenfantasie - dit on-Luikse gedrocht. Hij schrijft ook hoe men half juni 1766 bouwt aan "eene nieuwe blauw steene balcon, ende het frontispicium wierd verciert met nieuwe crollen, oock met eenen nieuwen noijt in dese landen geinventeerde blauw steenen trap dienende tot spot der borgers ende vreemdelingen hier passerende om het onnodigh ende verquist geldt".
Van deze verbeteringsoperatie getuigt nog een jaartalsteen met stadswapen boven het balkon.
