Okeleistraat

Okeleistraat

De Ockeleye is de naam van één van beide rederijkerskamers in Sint-Truiden, die voor het eerst vermeld worden in 1495. Vermoedelijk bestonden de Okelei en de Rozenkrans reeds veel eerder. ’s Zondags voor de vasten van het jaar 1495 speelde de Okelei toneel, een luchtig carnavalesk stuk in het kader van vastenavond. In de 15de en 16de eeuw luisterden de rederijkers talrijke processies op. Dat kon eenvoudig door hun aanwezigheid in hun kleurrijke uniformen. Vaak verzorgden ze voorstellingen van bijbeltaferelen of heiligenlevens, soms staand of stappend in de processie, maar meestal vanop hun speelwagens. Met het opkomend protestantisme, en de contra-reformatie als tegenreactie, worden de beide rederijkerskamers herhaaldelijk ter verantwoording geroepen door de stadsoverheid.

In 1568, nadat Willem de Zwijger met zijn geuzenleger de stad had ingenomen, werden de twee rederijkerskamers afgeschaft door een besluit van de overheid. Nadat abt Christoffel de Bloquerije na het betalen van losgeld naar de abdij was kunnen terugkeren, werd in 1569 een nieuwe rederijkerskamer opgericht, De Olijftak. Door allerlei bepalingen wordt de werking van deze nieuwe kamer door de abt en de prins-bisschop nauwgezet gecontroleerd.

Dr. Fl. Van Vinckenroye, De geschiedenis van de rederijkerskamers De Ockeleye en De Roosencrans te Sint-Truiden, in: Historische bijdragen, Sint-Truiden, 1968.

ONTDEKKING VAN DE DAG

Een marmeren buste voor de oud-burgemeester

Clement Cartuyvels  was de zoon van een zeepfabrikant op de Grote Markt en neefje van burgemeester Guillaume Vanvinckenroy . Hij droeg zelf de sjerp tussen 1899 en 1921. Op zijn CV lezen we: advocaat, bankier, provincieraadslid, gedeputeerde, vrederechter, gemeenteraadslid, volksvertegenwoordiger, senator, voorzitter Sint-Vincentiusgenootschap, derdeordeling en katholiek. Hij maakte de Belle Epoque in zijn stad mee: vernederlandsing van het bestuur, aanleg tramlijnen, riolering, waterleiding, bouw slachthuis, provinciale 'expositie' in 1907. Maar Clément moest ook de schok van de Duitse inval meemaken. Zijn zoon Paul, majoor van de Burgerwacht, verdween een jaar in Duitse kampen en hijzelf werd het laatste jaar van de oorlog uit zijn ambt ontheven. Clément woonde in de Capucijnenstraat in een herenhuis, later omgebouwd tot Sint-Annakliniek. 



De bank Cartuyvels:



Clément stierf op zijn kasteeltje in Verlaine en kreeg, behalve een straatnaam (de vroegere Capucijnen- en Coemansstraat) in 1921, ook een marmeren borstbeeld. Toen zijn zoon notaris Paul Cartuyvels  in 1927 zelf burgemeester werd, kreeg hij van zijn makkers oud-burgerwachten een ontwerptekening voor een borstbeeld van zijn papa cadeau. De ontwerper was niemand minder van Victor de Haen uit het Brusselse, die ook de wedstrijd had gewonnen voor het monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op Sint-Marten. Op kosten van het stadsbestuur werd de buste in marmer uitgevoerd en prijkte voortaan in het stadhuis. Momenteel in erfgoeddepot bij de Zusters Ursulinen. Vermits het beeld postuum werd getekend, herken je duidelijk de pose op het bidprentje van Clément Cartuyvels. Op zijn linkerschouder liet de beeldhouwer van het witte marmer zijn naam in sierlijke letters na. 







Lees: 
Wie was wie in Sint-Truiden?, Sint-Truiden: Stedelijke openbare bibliotheek, 2011, p. 39 en 43-45.