Kristina de Wonderbaarlijke of Mirabilis werd omstreeks 1150 geboren in Brustem. Zij was 15 toen ze wees werd en met haar twee oudere zussen achterbleef. Voor het levensonderhoud was zij herderin, tot zij op haar 32ste stierf. Tijdens de uitvaartmis vloog het deksel van de kist en zweefde de dode Kristina door het schip van de kerk, waarna zij met haar zussen naar huis ging. Zij werd als heks opgesloten maar ontsnapte telkens weer, zwierf negen weken lang door de bossen rond Sint-Truiden of een andere keer liep ze over het water van de snel stromende Maas. Uiteindelijk belandde ze in het benedictinessenklooster te Nonnemielen als semi-religieuze en boeteling. Maar haar merkwaardige gedrag bleef duren, waardoor ze in een gekkenhuis belandde. In 1224 stierf ze een tweede maal.
Ref.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loote wee de klokke van den toure luin,
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loepe wee ni recht, ma loepe feelinks schuin.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Dreinke wee e pintje en gon haand in haand,
Vör te daasten albedieën rond de Latsjaan.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.
Iederien du mie, och de Gemeinterood,
Effekes de tuigels los kan ginne kood,
Iel het joor ston zijlinks al in vlam en vuur,
Vuir et goed van ’t Stadsbestuur.
Carnaval da zit doe in, da vuul dzje zelf,
Telt ze mèr, die groep is och bè drei maal elf.
En de boug kan alted ni gespanne ston,
Doever loote ze un dan ins per joor ins gon.
Ref.
En vuir goed te fieëste, is doo ‘t Fiestcomiteit,
Dei kreige subsidies och op stond en tijd,
Ma ze moete luistere noo et Stadsbestuur,
Gelèk de Rood van de Commeduur,
Vesteloovet is doe toch vuir iel de stad,
Ozze carnavalsgroepe dee weite da,
En as Scheipe va Plezier roep ich och ‘Vuur!’
Carnaval da is en echte volkscultuur.
Ref.
Ref.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.