Kristina de Wonderbaarlijke of Mirabilis werd omstreeks 1150 geboren in Brustem. Zij was 15 toen ze wees werd en met haar twee oudere zussen achterbleef. Voor het levensonderhoud was zij herderin, tot zij op haar 32ste stierf. Tijdens de uitvaartmis vloog het deksel van de kist en zweefde de dode Kristina door het schip van de kerk, waarna zij met haar zussen naar huis ging. Zij werd als heks opgesloten maar ontsnapte telkens weer, zwierf negen weken lang door de bossen rond Sint-Truiden of een andere keer liep ze over het water van de snel stromende Maas. Uiteindelijk belandde ze in het benedictinessenklooster te Nonnemielen als semi-religieuze en boeteling. Maar haar merkwaardige gedrag bleef duren, waardoor ze in een gekkenhuis belandde. In 1224 stierf ze een tweede maal.

In Melveren , een gehucht van Sint-Truiden, woonde een zekere X. Op zekere dag ging X met zijn vriendin naar de kermis in Kortenbos. Deze man had echter een pact gesloten met de duivel, wat betekende dat hij regelmatig enkele uren als weerwolf moest rondlopen. Omdat X op de kermis plots voelde dat dat moment was aangebroken, zei hij tegen zijn vriendin: "Als je een hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil. Op die manier zal het beest je geen kwaad doen."
Omdat een weerwolf geen kruis kan oversteken, moet hij de draadjes van de zakdoek één voor één uitrafelen vooraleer hij verder kan.
Het meisje antwoordde: "Neen, blijf maar bij mij!", waarop haar vriend: "Neen, ik moet dringend even een boodschap doen."
Toen X weg was, kwam er een lelijke zwarte hond naar het meisje toe. Ze deed onmiddellijk wat haar vriend had gezegd, waarop de hond de zakdoek in stukken scheurde. Een kwartier later kwam X terug. Zijn vriendin vertelde hem dat ze doodsangsten had uitgestaan terwijl hij weg was. Wat verderop ging het tweetal iets drinken in een café. Het meisje bekeek haar vriend eens goed, en riep geschokt: "Jij smeerlap, je bent het zelf geweest, want de vezels van de zakdoek hangen nog tussen je tanden!"
X zei dat ze het zich maar inbeeldde, maar het meisje wilde hem toch nooit meer zien.
Opgetekend door F. Beckers in 1947.
Bron: volksverhalenbank.be