
Renier van Rijkel, gestorven in 1271, was de oudste broer van Willem van Rijkel.
Deze laatste was een belangrijke abt van de Sint-Truidense benedictijnenabdij, onder andere omdat hij grote economische hervormingen doorvoerde.
Het is de oudst bewaarde grafsteen met liggende figuur in Limburg.
Het decor van de steen bestaat uit een spitsboog, die op de kapitelen van twee wandzuiltjes rust. Het veld boven de spitsboog is een voorstelling van het eeuwige Jerusalem. Rondom bevindt zich een randtekst met onder andere de vermelding van de sterfdatum 1271.
\\\\\\
De figuur van Renier wordt ten voeten uit afgebeeld. Hij draagt een maliënkolder en daaroverheen een kort bovenkleed. Zijn hoofd en hals zijn onbedekt en aan zijn gordel hangt een groot slagzwaard. Aan de linkerarm is een groot schild bevestigd waarop het familiewapen prijkt. Aan zijn enkels zijn er sporen en zijn voeten rusten op een windhond.
Ref.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loote wee de klokke van den toure luin,
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loepe wee ni recht, ma loepe feelinks schuin.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Dreinke wee e pintje en gon haand in haand,
Vör te daasten albedieën rond de Latsjaan.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.
Iederien du mie, och de Gemeinterood,
Effekes de tuigels los kan ginne kood,
Iel het joor ston zijlinks al in vlam en vuur,
Vuir et goed van ’t Stadsbestuur.
Carnaval da zit doe in, da vuul dzje zelf,
Telt ze mèr, die groep is och bè drei maal elf.
En de boug kan alted ni gespanne ston,
Doever loote ze un dan ins per joor ins gon.
Ref.
En vuir goed te fieëste, is doo ‘t Fiestcomiteit,
Dei kreige subsidies och op stond en tijd,
Ma ze moete luistere noo et Stadsbestuur,
Gelèk de Rood van de Commeduur,
Vesteloovet is doe toch vuir iel de stad,
Ozze carnavalsgroepe dee weite da,
En as Scheipe va Plezier roep ich och ‘Vuur!’
Carnaval da is en echte volkscultuur.
Ref.
Ref.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.