Holle wegen

Holle wegen

Holle weg

Holle wegen zijn typerend voor het landschap van Haspengouw en Voeren en beschikken daarom over een grote landschappelijke waarde. Het zijn ook getuigen van het historisch landgebruik. Sommige van deze wegen worden al sinds de middeleeuwen gebruikt.

Holle wegen zijn een biotoop op zich; vaak eerder bossig maar soms ook met waardevolle grazige taluds. We vinden er vaak specifieke plantensoorten en dieren vinden hier hun voedsel, een schuilplek en nestgelegenheid. Holle wegen vormen ook belangrijke natuurverbindingen en zijn vaak de enige uitwijkmogelijkheden voor tal van dieren tussen de intensief bewerkte akkers. Reden genoeg dus om holle wegen te bewaren.

Het is nuttig om te weten dat holle wegen beschermd zijn door het natuurdecreet. 



Een weg is hol als hij lager ligt dan de grond aan weerskanten. Maar hoeveel lager? In principe hanteert
men volgende regel: als het verschil tussen het maaiveld en wegdek zo groot is dat een normaal
landbouwvoertuig er niet kan oprijden, spreekt men van een holle weg. In praktijk spreken we bij een
hoogteverschil van 50 centimeter dus al van een holle weg.
De meeste holle wegen liggen in landbouwland. Ze ontstonden door het wegspoelen van het wegdek daar
waar boeren eeuwenlang met paard en kar de helling opreden van hun boerderij in het dal naar de akker
op het plateau. De vorming van holle wegen is het resultaat van een eeuwenlange gecombineerde
werking van wind- en stroomerosie en afschuivingen van grond door afstromend regenwater.
Het merendeel van die holle wegen is in de late Middeleeuwen ontstaan, omdat toen de voorwaarden
aanwezig waren: uitbreiding van het akkerareaal en verkeersintensiteit op onverharde wegen. Deze
wegen dienden voor de ontginning van het oerbos en het bewerken van de akkers. De steile zijwanden
ervan behoren tot de waardevolste biotopen voor flora en fauna. De echte holle wegen, zoals wij ze
kennen, zijn dus op een geleidelijke manier ontstaan. Maar natuurlijk kunnen ze ook door de mens zijn
aangelegd.
Voor een natuurlijk ontstaansproces zijn er een aantal zaken nodig.
Om een holle weg te doen ontstaan heb je eerst en vooral reliëf nodig. Onderzoek stelt dat er minimaal
een hellingspercentage van 2 tot 4 procent nodig is om een holle weg te doen ontstaan.
De aard van de bodem is een tweede bepalende factor. Zand- en kiezelgronden brokkelen snel af.
Uitdiepingen worden snel opgevuld en het vormen van steile wanden is niet mogelijk. Leem, zandleem en
mergel hangen stevig samen en kunnen wel steile hellingen vormen. Dit is duidelijk te zien in
Haspengouw en de Voerstreek.
Maar er is nog een derde bepalende factor: de mens. Want wat blijkt? Dat in gebieden die van oudsher
een uitgesproken landbouwgebruik kennen, aanzienlijk meer holle wegen voorkomen dan in gebieden
die bebost bleven of pas later voor landbouwgebruik ontgonnen zijn.  

ONTDEKKING VAN DE DAG

Baltus, Georges (Richard Michel Guillaume) Marie, kunstenaar

Kortrijk 3.05.1874   Overijse 24.12.1964   Sylvia Hildebrand  Adrienne Revelard  

Zoon van Richard, handelaar koloniale waren  Grote Markt, en Emérense Vanhoren, textielhandelaar . Vader van kunstschilder en architect Ado (1918-1990). Toevallig geboren te Kortrijk bij verwant industrieel Adolf Nijs en Margaretha Baltus tijdens handelsreis. Jeugd in Sint-Truiden, aangetrouwde neef van Aldous Huxley . Kleuterschool zusters en rijksmiddelbare school. Rebels student atheneum Hasselt, jezuiëtencollege Saint-Servais Luik, Bad Godesberg (Bonn). Academie Brussel 1891, leerling van Portaels. Studiereis Engeland en ontdekking Prerafaëlieten. Leerling van Navez. Parijs 1895 Salon Rose-Croix en vriend van Maeterlinck en Pélatain. Firenze 1896-1904, restauratie fresco’s. Huwelijk Munchen 1904 met Sylvia (+1926) dochter van prof. Adolf (von) Hildebrand. Hertrouwd 1947 dichteres Revelard. Leraar glaskunst Glasgow School of Art 1905-1918, maar tijdens vakantie in Sint-Truiden tijdelijk geblokkeerd door Duitse inval augustus 1914. Leraar academie Leuven 1918 en sierkunstschool Elsene 1924. Inspecteur kunstonderwijs Vlaamse landsdeel 1928. Medewerker ‘Le Dessin’ Brugge 1929-1930. Albert Latourstraat Brussel. Sint-Truiden 1946. 

Beïnvloed door Prerafaëlieten en Quattrocento. Symbolist met aandacht voor de femme fatale. Schilderen, lithografie, etsen, glasschilderkunst, kartons voor tapijten, ex -libris, boekillustraties . Dichter, beïnvloed door leraar Victor Remouchamps in het Atheneum Hasselt. Verzamelaar Japanse grafiek. Tentoonstellingen in grote Belgische steden en Biënnale Venetië 1930, 1931 en 1934. Opdrachten van vooraanstaande families en hof. Connecties met koningin Elisabeth. Prijzen Parijs 1927 en Brussel 1935. Gouden medaille Exposition Arts Décoratifs Parijs. Werken in diverse musea Elsene, Leuven, Franse Gemeenschap, Koninklijke Bibliotheek Brussel, London. 

Christina de Wonderbare  1915 en Trudo 1912 (rijksbezit) in OLV-kerk Sint-Truiden

Muurschilderingen galerie Ravenstein Brussel . Glasramen in Sint-Stefanuskerk Sint-Pietersleeuw  uit Koninklijke Kapel Wereldtentoonstelling Brussel 1935 en in gemeentehuis Vorst 1938. Deelname retrospectieve Landschap in Limburgse kunst Hasselt 1954 met Nacht te Velm. Tentoonstelling 100 jaar geboorte in Galerij Regard 17 Brussel 1974. Aquarellenreeks Roches et nuées, lithoreeks Merveilles. Schilderij Boerenkrijg  1914 verworven door stadsbestuur Sint-Truiden 1987.




'Servantes de Saint-Trond', G.M. Baltus 1910 (uit: NORMAN, DELAHOUSSE en DE BRAEKELEER 1991). 


Publicaties: Technics of painting, Glasgow, 1912; vert. A. Van Hildebrand, Le problème de la forme dans les arts figuratifs, Parijs: Bouillon; Strasbourg: Heitz en Mündel; Brussel: Lacomblez, ca. 1903.
Lees: M.C., Georges-M. Baltus, Brussel: Les monographies illustrées, z.j.; P.A. LEGRAND DE REULAND, Georges M. Baltus, (Anthologie des artistes Belges contemporains, 2), Brussel: Pro Tempore, 1939, met o.a. gedicht over Sint-Truiden en schilderij Ordingen kapel; DE SEYN, p. 28-29; P. CLERINX, Bij het schilderij van Christina door mr. Georges Baltus, in Christina de Wonderbare. Gedenkboek 1150-1950, Leuven: Bibliotheca Alfonsiana, 1950, p. 36-38; WIEDAT, p. 21; Raoul CHANET, Baltus, Georges, Richard, Guillaume, Michel, Marie, in Hier en nu Sint-Truiden, nr. 21, 1974, p. 20; Centenaire de G.M. Baltus, tentoonstellingscatalogus, Brussel: galerij Regard 17, 1974; Ivo BAKELANTS, De glasschilderkunst in België in de negentiende en twintigste eeuw. Repertorium en documenten, B., Wommelgem: Den Gulden Engel, 1986, p. 237; Herdenkingsbrochure naar aanleiding van de schenking van het schilderij ‘De Boerenkrijg’ van Georges Marie Baltus, door zijn zoon, de heer Aldo Baltus, aan de stad Sint-Truiden, ST:stadsbestuur; 1987; Anne NORMAN, Anne DELAHOUSSE en Catherine DE BRAEKELEER, Georges-Marie Baltus 1874-1967, z.p., 1991; Kamiel STEVAUX, Sint-Truiden en het ex libris, Sint-Truiden 2003, p. 15-16 noot 41 en 18; BEKTRUI, 1, 2004, p. 10-11; TRUDO, 1993, p. 152-153; Albert BONTRIDDER, Baltus, Ado, in NBIONAT, 7, 2003, p. 19-21; RASKIN, p. 34-35; Alison BROWN, Ray MCKENZIE en Robert PROCTOR, The flower and the green leaf. Glasgow School of Art in the time of Charles Rennie Mackintosh, Edinburgh: Luath Press, 2009, p. 65.