Deze straat maakte reeds tijdens het ancien regime deel uit van het stratenpatroon van de stad, weliswaar onder de benaming Hellestraat, naar de gelijknamige volksbuurt er omheen.
Na een vernietigend rapport over de woonkwaliteit in de wijk, besloot de gemeenteraad op 25 november 1901 de hele wijk te saneren. Enkel in de Hellestraat (nu Gasthuisstraat) bleef een straatwand behouden. Na de sloping werden de terreinen tijdelijk gebruikt voor de Provinciale tentoonstelling in 1907, nadien werd heropgebouwd.
In die gesaneerde, nieuwe buurt hoorde een Hellestraat niet meer. De straat kreeg dan de naam Gasthuisstraat, verwijzend naar het ziekenhuis van de Witzusters tussen Diesterstraat en Gasthuisstraat.



Ref.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loote wee de klokke van den toure luin,
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loepe wee ni recht, ma loepe feelinks schuin.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Dreinke wee e pintje en gon haand in haand,
Vör te daasten albedieën rond de Latsjaan.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.
Iederien du mie, och de Gemeinterood,
Effekes de tuigels los kan ginne kood,
Iel het joor ston zijlinks al in vlam en vuur,
Vuir et goed van ’t Stadsbestuur.
Carnaval da zit doe in, da vuul dzje zelf,
Telt ze mèr, die groep is och bè drei maal elf.
En de boug kan alted ni gespanne ston,
Doever loote ze un dan ins per joor ins gon.
Ref.
En vuir goed te fieëste, is doo ‘t Fiestcomiteit,
Dei kreige subsidies och op stond en tijd,
Ma ze moete luistere noo et Stadsbestuur,
Gelèk de Rood van de Commeduur,
Vesteloovet is doe toch vuir iel de stad,
Ozze carnavalsgroepe dee weite da,
En as Scheipe va Plezier roep ich och ‘Vuur!’
Carnaval da is en echte volkscultuur.
Ref.
Ref.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.