ambachten

Ambachten

In het kader der Luikse en Loonse steden hebben wij getracht een beeld te geven van de evolutie en de organisatie van het ambachtswezen te Sint-Truiden tot de afschaffing onder het Franse bestuur.

Meer bepaald is onze aandacht gegaan naar drie ambachten: de smeden, de timmerlieden en de schoenmakers. Deze drie ambachten zijn tot het einde van het ancien regime blijven bestaan, alle drie hebben gewerkt voor de lokale en regionale markt, maar vooral beschikken we voor hen over een uitgebreid archief tot aan de afschaffing van het ambachtswezen.

Tot nog toe heeft men zich beperkt tot de uitgegeven bronnen. Deze geven slechts een beperkt beeld van het geschiedkundig verloop, Straven publiceerde enkel de beslissingen van de gemeenteraad. Zo bewaard het stadsarchief vooreerst de reglementen van de smeden en de timmerlieden.

Voor de inschrijving van nieuwe leden konden wij een interessante steekproef doen. In 1614 werd Arnold Quellien, vader van beeldhouwer Artur Quellien de jongere, ingeschreven in het ledenboek der timmerlieden en ook vonder wij in het Poortersboek dat hij in datzelfde jaar zich vanuit Luik te Sint-Truiden kwam vestigen.

Natuurlijk geven de meeste bronnen een juridische toestand weer. We trachten echter, waar mogelijk, ook een feitelijke toestand te achterhalen.

Bestuur en ambachten

In de eerste tijden van haar bestaan werd de stad beheerd door de 14 schepenen (7 benoemd door de abt en 7 benoemd door de bisschop), die voor de eerste keer vermeld worden in 1108. Ook in de andere steden stonden de schepenen aan het hoofd van de stad. Dit ambt was levenslang en de vervanging gebeurde door coöptatie, zo bleef het bestuur van de stad in handen van een kleine bevoorrechte kaste. Het is begrijpelijk dat hiertegen verzet kwam vanuit de niet-gepriviligieerde families.

In 1227 wordt melding gemaakt van “jurati”, gezworenen, die samen met de schepenen de stad besturen, naar het voorbeeld van Luik, waar zij reeds bestonden in 1187. Zelfs de rechtsmacht moesten de schepenen met hen delen. Gebruik maken van de “sede vacante” in 1229, dus twee jaar na de inlijving van Sint-Truiden bij Luik, sloot de stad een verbond met Luik, Dinant, Maastricht en Tongeren. Als reactie tegen de stedenverbanden, die ook elders in het Duitse rijk ontstonden, schaften de vorsten eenvoudigweg de gezworenen af. En toch hebben deze “jurati” in 1287 weer het medezeggenschap te Sint-Truiden.

Het laken gild had in deze periode grote invloed te Sint-Truiden wegens de grote bloei van de lakennijverheid in de 13de eeuw. Reeds in 1155 waren de wevers zeer talrijk, zoals te Aken en Maastricht voerde de stad uit naar Duitsland, Engeland en Frankrijk. Onnodig te zeggen dat dit gild graag ook op politiek terrein zijn invloed wilde doen gelden. Van de partijdigheid tussen de schepenen maakte het gebruik om in 1254 een opstand te plegen, die werd geleid door de “comes mercatorum”, het hoofd van de lakengilde en zijn raadgevers Deze opstand, waarin lakengilde en ambachten eendrachtig samenspanden, duurde tot in 1256, toen de prins-elect de stad met een leger binnenviel, de Stapelpoort bezette en stevig versterkte en aldus de rust en het wettelijk gezag herstelde. Toen later nieuwe wanordelijkheden uitbraken, gaven de prinsbisschop en abt in 1288 een nieuwe constitutie aan de stad. (17) Voor de eerste maal worden van overheidswege de schepenen uit de raad geweerd. De Heren en niet het volk stellen twee burgemeesters (rectores) aan en acht raadsleden. Deze toestand heeft slechts enkele jaren geduurd.

In 1304 zetelen de ambachten in de raad en in 1314 wordt dit voorrecht hun van overheidswege voorbehouden, doch enkel door de prinsbisschop (20).

Door een overeenkomst tussen abt en prinsbisschop werd in 1329 de stad bestuurd door 2 burgemeesters, 12 gezworenen en de schepenen. Er wordt echter niet vermeld of het al dan niet vertegenwoordigers van de ambachten zijn.

Op 9 april 1348 komt een nieuwe regeling in voege: de 12 raadsleden, die samen met de 14 schepenen de stad besturen, bestaan uit 6 vertegenwoordigers van de patriciërs en 6 van de ambachten.

Nogmaals tegen de wil van de abt, door de eenzijdige gunst van de prins-bisschop, bestuurden de afgevaardigden der ambachten alleen de stad in 1362. (23) Ditzelfde jaar plaatsten de burgemeesters een stenen perron op de markt, als teken van vrijheid. (24).

Daarna kwamen de abt en prins-bisschop tot een vergelijk en werd de stad bestuurd door 8 patriciërs en 12 vertegenwoordigers van de ambachten.(25) Meteen stonden de Heren de oprichting toe van een Halle (26)

Een nieuwe revolutie verdreef de patriciërs uit de raad in 1388 (27). De prinsbisschop en de abt brachten de patriciërs echter terug in de raad met de regeling van 1404, waarbij het aantal ambachten wel verhoogd werd tot 13. (28)

Dan volgt de nederlaag van Othée met de uitspraak van Rijsel van 24 oktober 1408, alle privilegies werden afgeschaft en de vrijheidscharters dienden ingeleverd (29) In 1417 kregen de truienaren een deel van hun rechten terug: slechts 7 ambachten werden erkend en zij stuurden door een getrapte verkeizing 4 leden naar de raad, de overige 4 werden door de prins-bisschop zelf aangeduid. (30)

Op 14 april 1416 worden evenwel opnieuw 13 ambachtsvertegenwoordigers vermeld.

Gedurende het Bourgondisch bestuur (1467 – 1477) waren alle gemeentelijke vrijheden afgeschaft. Het beheer van de stad gebveurde door commissarissen van hogerhand aangesteld. (32)

Ook de protestantse beroering hebben een tijdlang (1569 – 1577) het stedelijk bestuur aan de ambachten onttrokken, de raad werd toen aangesteld door de beide heren. (33) Op 30 april 1577 kregen de ambachten opnieuw hun vertegenwoordiging in de raad.

Ontstaan en ontwikkeling van de ambachten, algemeen

Sinds het einde van de elfde eeuw zijn de stedelijke werklieden gegroepeerd per ambacht, naar het voorbeeld van de koopmansgilden en de godsdienstige verenigingen, gevormd rond kerken en abdijen. Maar daarnaast moeten zij beantwoord hebben aan de noodzaak van economische bescherming door het weren van nieuwelingen. Daarom vragen zij het recht om al de ambachtslieden te dwingen tot het ambacht toe te treden of aan hun beroep vaarwel te zeggen. Pirenne noemt de ambachten dan ook “ des syndicats obligatoires”, zijn definitie luidt: “une corporation industrielle jouissant du privilège de pratiquer exclusivement une profession déterminée, suivent des règlements sanctionnés par l’autorité publique”. Daarna hebben de ambachten van de West-Europese steden ernaar gestreefd totaal onafhankelijk te worden en verder ook een politieke rol te spelen, hetgeen hen in de loop van de 14de eeuw in de meeste steden is gelukt. De toetredingsdwang tot afweer van buiten-ambachtelijke concurrentie is geen eindpunt in de evolutie van het ambachtswezen maar een vertrekpunt.

C. Wijffels treedt deze zienswijze bij: “In de 13de eeuw zien wij de handwerkers en kleinhandelaars overal ingedeeld, volgens hun ambacht, in sociaaleconomische groepen, als direct gevolg van de bevoegdheid van de overheid om handel en nijverheid te reglementeren”.

ONTDEKKING VAN DE DAG

Academiezaal

Eén van de mooiste zalen van het land

Rockband Editors in de Academiezaal. Bron: https://i.pinimg.com/originals/ea/98/e6/ea98e6fd6811ad77a69f3d6c33d15056.jpg

Academiezaal

360°-weergave


Geschiedenis

Eén van de mooiste zalen in het land. De academiezaal van het Klein-Seminarie onderlijnt de betekenis van deze instelling als het intellectueel centrum van Limburg vanaf 1843 tot na de Tweede Wereldoorlog. Daarbij was vooral na de lessen aandacht voor Nederlandse letterkunde.

De Gentse stadsarchitect Louis Roelandt was door de test

 aangezocht om hun hospitaal voor geesteszieke vrouwen te bouwen. Hij ontwierp ook samen met zijn leerling Isidore Gerard de neogotische toren  van de hoofdkerk.

                                  Louis Roelandt

Door de scheiding van de beide Limburgen in 1839 moest het Klein-Seminarie van het bisdom Luik verhuizen van Rolduc, nu Nederlands gebied, naar de vroegere abdijsite in Sint-Truiden. Bisschop Van Bommel besefte het belang van dit opleidingscentrum. Bij het enorme complex in de binnenstad was ook een a salle de rhétorique voorzien voor de seminaristen. Het werd tussen 1845 en 1852 een achthoekige centraalbouw met korinthische gegleufde zuilen onder een bijzonder rijkelijk uitgewerkte stucwerkzoldering

detail stuckwerk amfitheater


. De amfitheatervorm zorgt voor een intimistische verbondenheid van publiek met acteurs op de parterre en een goede akoestiek.

In 1845 was in de zaal het taalgenootschap Utile Dulci actief dat het Nederlands beoefende. Ook een Franstalige tegenhanger, de Société de littérature française, kortweg de Academie, was er bedrijvig. De Vlaamse ontvoogdingsstrijd zorgde af en toe voor wrijvingen, maar uiteindelijk liep toch iedereen in de pas.

Bij de start van de restauratie in 1986 door Herman Vanmeer in opdracht van erfpachthouder stad Sint-Truiden werd vooral de stabiliteit van de zaal hersteld en teruggegrepen naar de oorspronkelijke uitvoering van de "gradins" en de toneelscène. Voor het zitcomfort werd één rij verwijderd, wat het aantal zitplaatsen op 290 vastlegt, eventueel uitbreidbaar. De moderne lichtarmaturen zijn een ontwerp van Herman Blondeel. Een moderne foyer met technische ruimten werd aan de kant van het kerkveld toegevoegd. 

Momenteel gebeuren in de akoestisch geschikte Academiezaal regelmatig muziekopnames en is een klassiek programma van internationaal niveau kamermuziek, kamerorkest en muziektheater uitgewerkt in het kader van de werking van cultuurcentrum de Bogaard.

Lit.: L. DE CLERCQ, H. VAN MEER mmv J. GYSELINCK, De Academiezaal te Sint-Truiden: een onbekend oeuvre van de Gentse architect Louis Roelandt (1786-1864), in M&L. Monumenten; Landschappen en Archeologie, jg. 15, nr. 5: september 1996; Els DECONINCK, Religieuze bouwheren engageren grote namen, in Sint-Truiden ingekaderd 1830-1914, Tentoonstellingen Sint-Trudofeesten 1998, Sint-Truiden: Sint-Truiden 1300, p. 50-78; Clem VERHEYDEN, De academiezaal, een bloeiend podium voor klassiek en modern, in Sint-Truiden, al eeuwen gaststad voor muziek, woord en beeld, Open Monumentendag Vlaanderen, Sint-Truiden: stadsbestuur, 2012, p.41-45 en 93 (bibliografie)