De samenstelling van het ambacht

De samenstelling van het ambacht

De verdeling volgens rangorde in meesters, knechten en leerjongens was niet louter vakkundig maar had een juridisch karakter. Enkel de meesters waren volwaardige en actieve elementen in deze organisatie. De overige twee waren in een overgangsstadium. Velen brachten het nooit tot meester en bleven dus hun hele leven in een ondergeschikte functie.

De leerjongens

De leerjongens moesten aan zekere voorwaarden voldoen om opgenomen te worden in het ambacht. In 1404 werd door beide Heren beslist dat een leerjongen bij zijn aanneming één gulden zal betalen aan de corporatie, alsook de wijn aan de deken en de knaap van het ambacht. Werd hij later meester, dan werd deze gulden van de koopsom afgetrokken. Dit bedrag is enkel bij de schoenmakers tot het einde geïnd, bij de smeden verminderde het en vanaf 1709 is er zelfs geen vermelding meer van deze betalingen, bij de timmerlieden is zelfs nooit een dergelijke betaling in de rekeningen vermeld. Omdat men wenste dat toekomstige leden van het ambacht flinke vaklui werden, bemoeide de stadsoverheid zich met hen. In 1561 verbood men vreemde jongens aan te nemen die gingen bedelen, voor geboren truienaren was men milder: leerlingen, die in der stadt oft vrieheit gheboeren zinde ende die welcke om Gode gaen mochten zal man wael moegen aennemen. In 1613 werd bepaald dat, eens een jongen aangenomen, men hem niet meer langs de deur mocht laten bedelen en dat een meester maar één jongen zonder middelen van bestaan mocht aannemen.

Tussen de leerjongen en zijn meester werd een contract afgesloten over de duur van de overeenkomst en over het loon. Een meester mocht een leerjongen geen werk geven alvorens het contract met een vorige meester ten einde was.

De evolutie van het aantal leerjongens per meester is een afspiegeling van de demografische en economische toestand van de stad. In 1523 mochten schoenmakers twee leerjongens hebben, buiten de eigen kinderen die ze in het ambacht opleiden; enkele jaren later zelfs drie. In 1712, toen de toestand in Sint-Truiden sterk verslechterde, mochten zij er maar één opleiden.

De ouderdom van leerjongens was niet wettelijk bepaald. Volgens een proces van de vetters tegen de schoenmakers worden leerjongens vanaf hun 10de tot 12de jaar bij de schoenmakers in de leer gebracht en worden knechten vanaf hun 15de of 16de aangeworven.

Zegel van de bakkers

ONTDEKKING VAN DE DAG

Portmans, ridder (Frans Maria) Ferdinand, burgemeester Hasselt

Sint-Truiden 23.12.1854  Hasselt 19.03.1938  Marie Roelants 

Zoon van vrederechter Jean Ignace Charles, tevens kantonnaal inspecteur lager onderwijs, en Elisabeth Charlotte Florentine Vanham. College Sint-Truiden. Jurist Leuven. 

Medestichter eerste mutualiteit Sint-Truiden en voorzitter schoolcomité tijdens schoolstrijd. Notaris en plaatsvervangend vrederechter Hasselt 1885. Gemeenteraadslid 1881-1887 Sint-Truiden en lid weldadigheidsbureel 1883-1886 Sint-Truiden. Provincieraadslid 1892-1912. Vader van priester-leraar en pastoor Etienne Stephanus (1895-1962). 


Burgemeester Hasselt 1895-1937. Katholiek volksvertegenwoordiger 1912-1923 en senator ter vervanging van Edmond Whettnall 1913-1932. Ridder 1929. Voorzitter Comité Hulp en Voeding WO I. Begraven oud kerkhof Hasselt, monument met alliantiewapens. Borstbeeld in stadsmuseum Hasselt door Emile Cantillon ca. 1905. Straatnaam Ridder Portmansstraat Hasselt.

Info: ODIS-databank en website Hasel.
Lit.: HBVL, 21.03.1938; VAN MOLLE, p. 275; J. GRAUWELS, De straatnamen van Nieuw-Hasselt, Hasselt: Heideland, 1980, p. 80.