Ontstaan en ontwikkeling van de Ambachten in Sint-Truiden, Erfgoeddag 2019

Erfgoeddag 2019

Ontstaan en ontwikkeling van de Ambachten in Sint-Truiden

Een overeenkomst uit 1112 tussen abt Rodulfus en de bakkers, brouwers, schoenmakers en anderen die producten van dezelfde aard verkopen maakt voor het eerst melding van de Sint-Truidense ambachtslieden. Onmiddellijk na zijn aanstelling in 1108 stelde abt Rodulfus de slechte financiële toestand van de abdij vast en daagde hen voor het gerecht van zijn domein met de eis tot betaling van 9 stuiver door elk van hen afzonderlijk. Deze handelaars beweerden er enkel drie verschuldigd te zijn per persoon en verklaarden onder eed dit voorrecht bekomen te hebben onder zijn voorgangers en riepen het getuigenis in van het gerecht en van de schepenen. Na twee jaar procederen werd de overeenkomst gesloten waarbij de bakkers, brouwers en schoenmakers elk jaar solidair een som van 18 solidi moesten betalen. Het persoonlijke aandeel en het ophalen van die persoonlijke bijdragen werd opgedragen aan door hen zelf aangeduide personen.

Uit deze akte van 1112 kan een dubbele conclusie worden getrokken:

  1. Het legt de strijd bloot tussen de domaniale opvattingen van de abt en de liberale opvattingen van de ambachtslieden. De laatsten erkennen aanvankelijk nog wel het domaniale recht maar trachten er geleidelijk aan te ontsnappen. Dit amorsgeld werd volgens rekeningen van de 13de eeuw enkel geheven in het rechtsgebied van de abdij, en dus niet in de andere helft van de stad onder beheer van de bisschop van Metz en later van Luik. In 1355 brengt dit Amorsgeld nog slechts 10 gulden op, twintig jaar later staat de rubriek nog wel vermeld in de rekening van 1555 maar zonder vermelding van enig bedrag.
  2. Personen door de ambachtslieden zelf aangeduid moesten zorgen voor het vaststellen en ophalen van de individuele bijdragen. Dit veronderstelt een zekere organisatie en beheer.

Hoewel er nog geen sprake is van een organisatie per vak of ambacht, moet de gezamenlijke juridische strijd én de uitvoering van deze overeenkomst de verenigingsgedachte sterk hebben bevorderd.

Zegel stad Sint-Truiden



In 1140 hernieuwde bisschop Stefanus van Metz het recht om op het grondgebied van de hele stad een belasting te heffen op het bier, namelijk één beker per week en per brouwerij. Het verzet van de brouwers was ditmaal harder, zij wilden niets meer betalen. Om hun weigering te breken sprak de abt de banvloek uit, hetgeen bevestigd werd door de bisschop. Na deze uitspraak onderwierpen sommigen zich, anderen bleven bij hun zienswijze en stierven geëxcommuniceerd. De inzet was duidelijk niet die enkele bekers bier maar het recht op zelfbestuur van deze ambachtslieden.

Deze processen moeten dan ook gezien in het licht van de overgang naar het domaniale systeem naar een gemeentelijk regime met zelfbestuur.

In een akte van 1237 bepaalt de abt de statuten van een godsdienstig liefdadig broederschap waarin de vollers en de lakenscheerders zich verenigen om van de geestelijke voordelen van de abdij te genieten. Dit is tien jaar na de bevoegdheidsruil tussen de bisschoppen van Metz en Luik over Sint-Truiden. (Deze statuten zijn een bijna letterlijke kopie van de Sint-Eucheriusgilde, een zuiver godsdienstige vereniging die in 1050 binnen de abdij was opgericht voor het zielenheil van de servitores van de abdijgemeenschap). Voor het eerst verenigden ambachtslieden van eenzelfde beroep zich. Met aan het hoofd meesters met een werkelijk gezag om ambachtslieden te bestraffen en / of uit het ambacht te bannen. Met verplichtte bijdragen vermits de leden onder eed trouw aan de statuten dienden te beloven. Niemand mocht meester worden zonder de eed te hebben afgelegd. Het was verboden in het huis te werken van een meester die de eed niet had afgelegd. Deze beroepsgroep zocht en vond steun bij de abdij om hun positie tegenover de koopmannen te versterken. De ellendige sociale toestand bracht de scheerders en de volders samen in een vereniging, waartegen de stadsoverheid noch het koopmansgilde iets vermochten, dankzij de godsdienstige verbinding met de abdij.

Zegel van de smeden


Gedurende de 14de eeuw strijden de ambachten, met wisselend succes, voor het (mede)beheer van de stad. Deze strijd ontwikkelt zich binnen Sint-Truiden in wisselende bondgenootschappen tussen hen, de prinsbisschop van Luik, de abt van de abdij en de patriciërs of koopmannen. Buiten de stad werden bondgenootschappen gesloten met hun geestesgenoten in Luik en de andere steden van het prinsbisdom. Met het verdwijnen van de patriciërs uit de stadsraad op 26 juli 1388, vertegenwoordigen de ambachten alleen de stad en kiezen de twee burgemeesters, volgens een statuut dat de gemeenteraad zich zelf gegeven heeft. Dit statuut werd bevestigd door prins-elect van Beieren en abt Willem van Aerdingen op 17 mei 1393.

Het is pas in een akte van 29 april 1446 dat de ambachten met naam vermeld worden, en sindsdien steeds in de volgende volgorde:

1. smede smeden

2. wilwercklieden pelsmakers

3. beckers bakkers

4. brieders brouwers

5. vleeschouwers beenhouwers

6. lakenmeckers lakenmakers

7. meersliede cremers

8. weerdere ende verwers lakenververs

9. vetters vetters

10. schoenmeckers schoenmakers

11. meersterlieden scheerders en volders

12. timmerlieden timmerlieden

13. cledersnyders kleermakers

Naast hun economische rol als brancheorganisatie en hun politieke rol in het stadsbestuur speelden de ambachten ook een rol in militair opzicht. In 1255 trokken ze samen met de koopmansgilde ten strijde, met ontplooide banieren, cum vexillis explotis. In 1348 worden de wevers nog vermeld met hun krijgsbanier, diploso pannificum vexillo acceserunt. De stadsverdediging was in 1436 nog per ambacht georganiseerd, maar vanaf 1465 wordt de verdediging per stadspoort ingericht en wordt de stad in evenveel wijken verdeeld. Hierdoor zijn de ambachten niet langer als organisatie betrokken bij de stadsverdediging.

Zegel van de pelsmakers


De samenstelling van het ambacht

De verdeling volgens rangorde in meesters, knechten en leerjongens was niet louter vakkundig maar had een juridisch karakter. Enkel de meesters waren volwaardige en actieve elementen in deze organisatie. De overige twee waren in een overgangsstadium. Velen brachten het nooit tot meester en bleven dus hun hele leven in een ondergeschikte functie.

De leerjongens

De leerjongens moesten aan zekere voorwaarden voldoen om opgenomen te worden in het ambacht. In 1404 werd door beide Heren beslist dat een leerjongen bij zijn aanneming één gulden zal betalen aan de corporatie, alsook de wijn aan de deken en de knaap van het ambacht. Werd hij later meester, dan werd deze gulden van de koopsom afgetrokken. Dit bedrag is enkel bij de schoenmakers tot het einde geïnd, bij de smeden verminderde het en vanaf 1709 is er zelfs geen vermelding meer van deze betalingen, bij de timmerlieden is zelfs nooit een dergelijke betaling in de rekeningen vermeld. Omdat men wenste dat toekomstige leden van het ambacht flinke vaklui werden, bemoeide de stadsoverheid zich met hen. In 1561 verbood men vreemde jongens aan te nemen die gingen bedelen, voor geboren truienaren was men milder: leerlingen, die in der stadt oft vrieheit gheboeren zinde ende die welcke om Gode gaen mochten zal man wael moegen aennemen. In 1613 werd bepaald dat, eens een jongen aangenomen, men hem niet meer langs de deur mocht laten bedelen en dat een meester maar één jongen zonder middelen van bestaan mocht aannemen.

Tussen de leerjongen en zijn meester werd een contract afgesloten over de duur van de overeenkomst en over het loon. Een meester mocht een leerjongen geen werk geven alvorens het contract met een vorige meester ten einde was.

De evolutie van het aantal leerjongens per meester is een afspiegeling van de demografische en economische toestand van de stad. In 1523 mochten schoenmakers twee leerjongens hebben, buiten de eigen kinderen die ze in het ambacht opleiden; enkele jaren later zelfs drie. In 1712, toen de toestand in Sint-Truiden sterk verslechterde, mochten zij er maar één opleiden.

De ouderdom van leerjongens was niet wettelijk bepaald. Volgens een proces van de vetters tegen de schoenmakers worden leerjongens vanaf hun 10de tot 12de jaar bij de schoenmakers in de leer gebracht en worden knechten vanaf hun 15de of 16de aangeworven.

Zegel van de bakkers


De knechten

De knechten, ook wel knapen of meesterknapen genoemd, zijn gevormde werklieden die zich bij een meester in een stiel komen vervolmaken om later zelf meester te worden, ofwel zijn het werklieden die hun leven lang bij een meester blijven werken omdat ze de mogelijkheden niet hebben om zelf meester te worden. Om als knecht aanvaard te worden diende men bij de schoenmakers een proef af te leggen.

Ook de knechten waren door een contract verbonden, althans wat de duur betreft. Bij de timmerlieden wordt een contract van 1 jaar vermeld. Om de lijst van de knechten te kunnen bijhouden moesten zij bij het ambacht worden aangegeven, hetzij aan de deken, hetzij aan de raadsman, binnen de veertien dagen na de aanvaarding voor de smeden, binnen de drie dagen voor de timmerlieden. Door deze verplichting te condighen kon men eveneens de vreemde of clandestiene knechten opsporen. Deze vreemden werden niet al te zacht behandeld, men legde beslag op hun gereedschap.

In tegenstelling tot in andere steden betaalden de knechten noch bij de smeden, noch bij de schoenmakers enig toelatingsrecht. Bij de timmerlieden moest de knecht of diens meester een inkomgeld betalen. De knecht van een zager, dekker, radermaker of mutsaardmaker, ledigh man genoemd, betaalde 8 stuiver in 1549, 16 stuiver in 1600 en 1 gulden 12 stuiver in 1775.

De meesters

De meesters waren de volwaardige leden van het ambacht. Zij alleen namen deel aan de vergaderingen. Zij alleen hadden stemrecht in de vergadering én bij de kiezing van de deken en de raadsman, die het ambacht vertegenwoordigde in de gemeenteraad. De meesters hadden wat men noemde het volle ambacht.

Zegel van de brouwers


De samenstelling van het ambacht

Het te betalen toetredingsrecht

De toelatingsvoorwaarden tot het meesterschap hebben een langzame evolutie ondergaan. In 1366 was de enige voorwaarde een bewijs sonder last (een bewijs van goed gedrag en zeden) te kunnen voorleggen. De opname in een ambacht was ook de enige manier om het poorterschap te verwerven.

In 1404 wordt een toetredingsrecht van twee ouwe schilden geëist.

In 1417 stelt men drie voorwaarden: bekwaam zijn, vredelievend én een gunstig en eensgezind advies tot opneming afgeleverd door de deken en raadsleden.

In 1428 vraagt men twee Rijnsgulden zonder meer. Tegen deze betaling kan iedereen, wonend binnen of buiten de stad, in het ambacht opgenomen worden.

Op 19 januari 1484 stelt men de ambachten wagenwijd open voor alle gehuwde burgers wonend in Sint-Truiden.

Het is niet zeker dat men door het vervullen van deze voorwaarden het “vol ambacht” verwierf, er wordt immers geen enkele vakkennis gevraagd. Zij bepaalden alleen het politieke aspect van het ambacht. De term ledigh man verwijst niet naar het uitoefenen van een ambacht maar naar het verplichte lidmaatschap van een ambacht voor het uitoefenen van zijn politieke rechten als burger van de stad.

Deze grote vrijheid werd afgeschaft op 12 februari 1504. In 1556 worden de smeden nog strenger en weren vreemdelingen. Deze moeten eerst het poorterschap verwerven, alvorens de deken hen het ambacht mag verkopen.

Voor de smeden werd het toetredingsrecht in 1556 bepaald op 6 gulden. Bovendien mag de deken niemand het ambacht met termijnen, op afbetaling dus, verkopen. Voor de timmerlieden was de som bijna de helft lager, 3 gulden 5 stuiver, maar er kwamen nog enkele kleinigheden bij: wijn voor de deken, de handschoen voor de knaap en 12 kannen bier.

Medaillon van de brouwers in het stadhuis



Volgens een afschrift in het Timmerliedenboek waren in 1599 de verplichtingen de volgende:

Smeden Poorter (*) 12 gulden Vreemdeling 24 gulden

Schoenmakers Poorter 12 gulden Vreemdeling 24 gulden

Timmerlieden Poorter 8 gulden Vreemdeling 12 gulden

(*) Het Statuytboek der smeden van hetzelfde jaar 1599 geeft een duidelijke omschrijving: Ingeboren burger is hij, die als Truidenaar geboren is, en niet hij die het geworden is door het poorterschap te kopen.

De verdubbeling van het tarief in de tweede helft van de 16de eeuw wordt door de muntontwaarding van de 16de eeuw vrijwel uitgevlakt. In een reglement van 1611 verscherpen de timmerlieden de toegang tot het ambacht niet door een tariefverhoging maar door beperkingen voor vreemdelingen. Volgens het reglement van 1770, door prinsbisschop en abt goedgekeurd, werden bij de timmerlieden volgende toetredingstarieven geïnd:

Burger 20 gulden

Burger gehuwd met de dochter van een meester 15 gulden

Vreemdeling 60 gulden

Vreemdeling gehuwd met de dochter van een poorter 30 gulden

Vreemdeling gehuwd met de dochter van een meester 20 gulden

Strodekkers betaalden slechts 2/3 van de voorgeschreven tarieven, maar indien hun kinderen in een ander lidmaat van het ambacht wilden werken moesten zij het volle recht betalen.

Zonen van meesters betaalden geen toetredingsrecht. Voor hen volstond het zich te laten inschrijven in het ambacht. Hun naam werd dan vermeld onder het opschrift Hebben hun vader bekend of Hebben hun vader verzocht.

Zegel van de beenhouwers


De meesterproef

De eerste vermelding van de proef vinden we bij de timmerlieden in 1599. Bij de smeden wordt ze voor het eerst vermeld in hun reglement van 1657. Nochtans schijnt aan de proef geen bijzondere waarde te zijn gehecht, want rond het begin van de 18de eeuw is het een algemeen geklaag over het niet onderhouden van dit punt uit de reglementen. In 1714 stelde de magistraat van de stad vast dat de smeden geen proeven meer deden en verplichtte het reglement van 1657 stipt na te leven.

Vanaf 1742 schrijven de schoenmakers, en de timmerlieden vanaf 1750, de namen van hen die de proef aflegden in Reliefboeken.

Bij de timmerlieden waren ook meesters van mindere rang, knapen van den bijle genoemd. Dat waren de zagers, de dekkers, de spakenmakers en de mutsaardmakers.

De eed en de christelijke afkomst

Alvorens opgenomen te worden in het ambacht moest men de eed afleggen. De verplichting gedoopt te zijn was zo vanzelfsprekend dat zij nergens uitdrukkelijk vermeld is. Een aantekening in het Reliefboek der schoenmakers leest als volgt: De inschrijving wordt in suspens gehouden tot de betrokken persoon den nodighen doopbrief zal geproduceerd hebben van zijn vader Oriaen. Deze verplichting gold dus niet enkel voor de kandidaat, maar zelfs voor zijn vader.

Zegel van de lakenmakers


De weduwe van de meesters

De weduwe mag het ambacht van haar overleden man voortzetten met behulp van werklieden. Maar het is niet toegelaten dat een werkman het ambacht zo uitoefent dat de weduwe er slechts met name bij betrokken is. Ook mag zij geen arbeiders van buiten de stad aanwerven. Zo bepaalden de smeden en de timmerlieden, bij de schoenmakers moest haar meesterknecht zijn proef afleggen, maar was vrijgesteld van het toetredingsrecht.

Hertrouwt een weduwe dan moet haar tweede echtgenoot het half ambacht kopen. Sterft deze vrouw en hertrouwt haar man, dan moet hij ook de andere helft kopen.

De kinderen van de meesters en de erfelijkheid

De eerste zoon van meesters was vrijgesteld van het toetredingsrecht bij de ambachten. Indien de eerste zoon niet toetrad, kon de tweede zoon van dit voorrecht genieten, zo niet betaalde hij de helft. Kinderen van vreemdelingen die het ambacht gekocht hebben worden in het ambacht opgenomen op voorwaarde dat zij in Sint-Truiden geboren zijn.

Om het aantal ambachtslieden te beheersen in functie van het beschikbare werk, werd de toetreding van vreemdelingen van buiten de stad bemoeilijkt. Waar het toetredingsrecht in de 16de eeuw voor vreemdelingen meestal het dubbel was van dat van burgers, werd het in de tweede helft van de 18de eeuw het driedubbel. Indien zij er echter in slaagden te huwen met een Sint-Truidense dochter, kwamen ze op gelijke voet te staan. In de late 15de eeuw waren meer dan de helft van de ambachtslieden nieuwkomers, in het midden van de 17de eeuw een derde en in het midden van de 18de eeuw minder dan een vierde.

Zegel van de cremers


De deken

De deken werd verkozen op het ogenblik van de gemeenteraadsverkiezingen, ieder ambacht verkoos twee personen, de een werd deken, de ander zetelde in de gemeenteraad en heette daarom raadsman. Deze verkiezingen hadden voor alle ambachten gelijktijdig plaats in de hof van de minderbroeders. Na zijn aanstelling legde de deken de eed af. Als voorwaarde tot verkiesbaarheid gold sinds 1404 dat de kandidaat een geboren poorter moest zijn of tenminste gehuwd met de dochter van een poorter. De ambtsduur van deken en raadsman was 1 jaar en er moest minstens 1 jaar verlopen om opnieuw hetzelfde ambt te mogen aanvaarden. De deken kon het ambacht zo vaak samenroepen als nodig, maar enkel voor zaken die het ambacht aanbelangen. Hij is ook bevoegd voor het financieel beheer van het ambacht. Op het einde van zijn ambtsjaar moet hij de rekening afsluiten en laten nazien in aanwezigheid van het hele ambacht. In de praktijk gebeurde dit door de nieuwe deken.

Het eventuele tekort moest door de deken worden voorgeschoten, totdat zijn opvolger weer bij kas was. Maar het overschot moest aan deze laatste onmiddellijk worden overgeteld.

Voor het afsluiten van de rekeningen en voor het overmaken van het batig saldo, werden dekens herhaaldelijk aangemaand, alvorens aan hun verplichtingen te voldoen. Bij de smeden waren er maningen voor de dienstjaren 1699, 1724, 1731 en 1779.

Soms volstond dit niet en werd het ambachtsgerecht ingeschakeld. Zo waren er procedures tegen de uittredende dekens bij de timmerlieden in 1761 en 1766 en bij de schoenmakers in 1779.

De secretaris

Vanaf de 18de eeuw werd de functie van secretaris dikwijls waargenomen door een notaris. Hij hield de rekeningen, de briefwisseling en schreef de beraadslagingen van het ambacht in het register. De deken bleef echter wel verantwoordelijk voor het financieel beheer.

Verliest het ambacht een proces, dan zal de secretaris slechts de helft van zijn salaris ontvangen. Is het ambacht verplicht een lening aan te gaan, dan moet hij deze akten en kopieën gratis opstellen en schrijven.

De knaap

De knaap was de loopjongen van de deken en bezat ook politionele macht. Elke zaterdag, donderdag bij de schoenmakers, moest hij naar het huis van de deken komen om de opdrachten te ontvangen. Hij riep de leden ter vergadering en diende dit persoonlijk te doen, ende niet deur sijne vrau ofte kinderen.

Bij de timmerlieden moest hij de kalk en de mutsaarden meten, bij de smeden de kolen. Hij spoorde werklieden op die niet bij het ambacht waren aangesloten. Bij de verkiezingen ging hij na of de kiezers poorter waren en het vol ambacht bezaten. Hij zorgde voor orde en eerlijke betaling op de ambachtskamer. Zijn benoeming gebeurde door het hele ambacht, waarna hij de eed aflegde in de handen van de deken.

De taken van de knaap bij de timmerlieden zijn terug te vinden in een reglement van 1674:

Medaillon van de cremers in het stadhuis


De gezworenen en de proefmeesters

De gezworenen of keurmeesters hadden als taak de kwaliteit van tin, zilver of goud te keuren bij de smeden, bij de schoenmakers en leerlooiers deze van het leder. Bij de metsers en de timmerlieden zijn zij de officiële meters. Het zijn geen ambachtelijke maar stedelijke functies, zij werden aangesteld door de burgemeesters en de raad. Toch werd steeds een meester van het ambacht gekozen omwille van de technische kennis van het vak. Ook de proefmeesters werden in Sint-Truiden door de burgemeesters en de raad aangesteld. Hun taak bestond in het keuren van de proef.

Het ambacht als rechtspersoon

Om zekerheid te hebben werd een ledenlijst opgesteld van de namen onser ambachtslieden die met het ambacht te raede en te dade comen. Het gaat dus alleen om de leden die het ambacht uitoefenen (ende dade), niet om degenen die louter om het politieke aspect bij het ambacht ingeschreven werden. In deze lijst werden jaarlijks de intredende leden bijgeschreven. Aldus ontstonden de lijsten die voorkomen in het Smedenboek en in het ledenboek der timmerlieden.

Oorspronkelijk hadden, zoals in Luik, ook de knapen en leerlingen stemrecht binnen de ambachten. Vanaf 1404 staat hun uitsluiting echter vast: van nu voort egeen man, die in knaepen staet werckt ende zijnen meester dient ten keur comen en zal. De statuten van de timmerlieden van 1566 geven hiervan opnieuw een duidelijk bewijs: …dan die ghene die volle ambachtslieden zijn. In 1766 beslissen de timmerlieden, na herhaalde klachten, dat men voortaan acht dagen voor de keurdag zal moeten bewijzen dat men het vol ambacht bezat. Al was het stemmen een voorrecht, toch kwamen niet alle leden opdagen. In 1556, 1664 en 1720 moet men op deze verplichting wijzen en werd afwezigheid bij de verkiezing beboet. De algemene vergaderingen hadden plaats in de hof van de minderbroeders, meer beperkte op de ambachtskamer van het betrokken ambacht. Aangezien de schoenmakers geen eigen ambachtskamer hadden, vergaderden zij steeds in het huis van hun deken.

Zegel van de lakenververs


Het ambacht als organisatie

Als rechtspersoon kon het ambacht eigendommen bezitten, contracten afsluiten, leningen aangaan en processen inspannen. Dikwijls stelden de ambachten zich borg voor leningen door de stad, en hechtten daarom hun zegel aan die overeenkomsten. Om praktische redenen werden bevoegdheden overgedragen aan de deken, ten persoonlijke titel. Zelfs voor herstelling aan een huis van het ambacht, doen de deken en de afgevaardigde een raming, maar de algemene vergadering beslist.

Opdat iedereen de statuten en reglementen zou kennen, besliste het smedenambacht in 1664 dat de privilegiën elk jaar op het feest van hun patroonheilige Sint-Eligius (25 juni) zouden worden voorgelezen. Deze statuten en reglementen werden door de deken in de compe, de archiefkist, bewaard.

De ambachten hadden ook een eigen rechtspraak. Elk ambacht kiest elk jaar in zijn schoot een deken en vier afgevaardigden, deze vijf vormden samen met de raadsman het ambachtsgerecht. Blijkbaar heeft de raadsman in de loop der tijden naast zijn politieke functie als vertegenwoordiger van het ambacht in de gemeenteraad, ook een rechterlijke functie gehad. Bovendien hielp hij de deken ook bij de administratie. Een bewijs dat de raadsman de rechterlijke en politieke functie combineerde vindt men in de rekeningen. Was de financiële toestand van het ambacht slecht dan moest de raadsman een gedeelte van zijn wedde laten vallen en in de kas storten. Aangezien de rekeningen geen wedde voor de raadsman vermelden, kan het hier enkel gaan om zijn wedde als lid van de gemeenteraad namens het ambacht. Deze raadsman hoefde het ambacht ook niet uit te oefenen, hij hoefde geen vakman te zijn. Wellicht houdt dit verband met het verdwijnen van de patriciërs uit de stadsraad en kwamen zij met hun juridische kennis via het mandaat als raadsman alsnog in het bestuur terecht. De rechtspraak van het ambacht bemoeide zich met al wat de leden betrof: betwistingen over een al dan niet afgelegde proef, over het huren van knechten, over contracten tussen meester en leerjongen, beledigingen van deken, raadsman of gezworenen, het niet betalen van verteer in de ambachtskamer,… Maar deze rechtsmacht strekte zich ook uit over niet-leden en krijgt dus ook een publiek-rechterlijk aspect. Het onrechtmatig uitoefenen van een ambacht door vreemden en het invoeren van koopwaren door niet-leden bezorgde het ambachtsgerecht heel wat rechtszaken.

Voor beroep tegen vonnissen van een ambachtsgerecht kon men terecht bij de rechtbank van de burgemeester en tenslotte bij de schepenbank. Moest er na een vonnis van het ambachtsgerecht ingegrepen worden, dan deed men een beroep op de schouten van de stad. Indien voor de uitvoering van een vonnis een schending van woonst noodzakelijk was, gaf de overheid slechts moeizaam toestemming. In een dergelijk vonnis verwittigt de magistraat dat …het gebruik der sterke hand toegestaan wordtmits alle mogelijke moderatie te observeren en te letten dat men geen solders die aen vreemde verhuert sijn en sal openen

Als rechtspersoon had het ambacht ook een eigen financieel beheer, met inkomsten en uitgaven. Timmerlieden en smeden hadden korenrenten en geldrenten. De korenrenten werden in natura geleverd op de ambachtskamer en daar aan de dagprijs verkocht. Geldrenten waren een vast bedrag, waardoor deze doorheen de jaren ten gevolge van de inflatie steeds aan waarde verloren. Het schoenmakersambacht had echter slechts twee renten, waardoor zij een beroep moesten doen op bijdragen van hun leden. Deze bijdragen werden om de drie maand aan huis opgehaald. Daarnaast waren er ook wisselende inkomsten uit de koop van het ambacht. Volgens de rekeningen van 1737 hadden de smeden 208 gulden inkomsten, de timmerlieden 98 en de schoenmakers slechts 77 gulden. In de uitgaven zijn er jaarlijks terugkerende: de jaarlijkse mis ter ere van de patroonheilige; personeelskosten voor deken, secretaris en knaap en verteer in de ambachtskamer. In de buitengewone uitgaven namen de proceskosten een voorname plaats in.

Het ambacht als sociaal economische speler

Het ambacht beoogde het welzijn van de leden en van de hele stadsbevolking. Men oefende zijn beroep uit, niet enkel om in zijn levensonderhoud en dat van zijn familie te voorzien, maar ook voor het algemeen welzijn. Dit was het gangbare denkkader in de middeleeuwen, althans in theorie.

Het welzijn van de ambachtsleden

Het eerste doel van het ambacht was iedere meester en zijn gezellen een menswaardig bestaan te geven. Daarom werd het gebied van elk ambacht nauwkeurig afgebakend en binnen het ambacht de diverse takken van het beroep. Tot het smedenambacht behoren in 1461: goudsmeden, hoefsmeden, ketelmakers, kaardmakers, schilders, busmakers, boogmakers, tinnegieters, gruisverkopers, messenmakers, pottenbakkers, schaliedekkers, loodverkopers, zadelmakers en gareelmakers, spoormakers, slotenmakers, nagelverkopers, kasseiers, schedemakers en harnasmakers. Tot het timmerliedenambacht behoorden in 1566: timmerlieden, schrijnewerkers, cuijpers, raeijemakers, mandemakers, stoeldraijere, ticheldeckers, die latten ofte kalck met den cuijpen vercoopen oft eenigh gesaeght houdt, oft houdt dat aen bijde sijden gecort is, oft die eenigh saghemeel metter maeten vercoopen. Volgens dezelfde statuten behoren verder ook nog als knapen van de bijle tot het timmerliedenambacht: die meesters van die segers, die meesters van die deckers, die spaeckenmakers ende die mutsaertsmaeckers. Een stadsreglement van 1714 noemt volgende zeven beroepen: timmerlieden, schrijnwerkers, kuipers, stoeldraaiers, metsers, wagenmakers en strodekkers. De metsers waren ook in een reglement van 1529 vermeld, maar in 1566 blijkbaar over het hoofd gezien. Waarschijnlijk werden in de 16de eeuw nog heel wat huizen in vakwerk met leem gebouwd en was het metsersbedrijf nog bijkomstig. In Sint-Truiden werd pas in de 18de eeuw een actie voor de baksteenbouw ondernomen toen de stad de derde steen en de derde dakpan betaalde.

Wie ingeschreven was bij een ambacht deelde met zijn stielgenoten het monopolie van productie en verkoop in het stedelijk gebied. Deze organisatie beoogde dus gelijkheid onder de leden. Daarom werden in 1650 bij de schoenmakers het aantal knechten beperkt tot twee, in 1712 wordt dit aantal verhoogd tot drie, maar in 1716 alweer teruggebracht tot twee. Bovendien moeten de knechten in de winkel van de meester werken, niet bij hen aan huis of in den vreemde; soo dit getolereerd wordt sal men bey geen meester eenighen knecht vinden. Men mocht ook de knecht van een ander meester niet in dienst nemen alvorens het contract afgelopen was. Inbreuken op dit reglement zijn talrijk terug te vinden bij het ambachtsgerecht.

Zegel van de vetters


Het ambacht als sociaal economische speler

Om namaak te beletten was elke ambachtsman verplicht zijn eigen merk in lood te laten slaan en was het hem verboden dat van een ander na te maken. De merktekens van iedere meester werden bewaard in de compe van het ambacht.

Sommige bepalingen handelen over het gezamenlijk beheer van de grondstoffen. Wanner glas werd ingevoerd per kar, dus in grote hoeveelheid, moest de knaap alle glazenmakers hiervan verwittigen.

Op de markt zijn uiteraard goede en minder goede plaatsen. Daarom werden elk jaar op de zondag na het feest van Sint-Eligius (1 december) de plaatsen verloot voor de smeden. Ook het openingsuur van de markt werd vastgelegd: om 6 uur van Pasen tot Sint-Remigius (1 oktober) en om 8 uur van 1 oktober tot Pasen. Wie herhaaldelijk niet kwam opdagen op de markt verloor zijn standplaats.

Ook voor het betalen van geleverd werk werden reglementen gemaakt: niemand zou werken voor een klant die zijn rekening niet heeft betaald.

Voor beroepen die in dagloon werkten werd de arbeidsduur bepaald door de werckklocke ’s morgens en ’s avonds.

Zelfs over de loonregeling is een reglement van de timmerlieden uit 1779 bewaard. Het ambacht kwam tussen om het loon van de knechten te doen uitbetalen: vier meester-schrijnwerkers werden aangesteld om over het uurloon uitspraak te doen.

De concurrentie bleef echter vrij: er is geen aanwijzing over prijsbepaling, noch van overtredingen van dergelijke prijsafspraken. Bovendien was er steeds de concurrentie van de vrije zaterdagmarkt, waar iedereen vrij zijn waren kon verkopen. In 1484 hebben enkele ambachtsdekens zich hier tegen verzet. Beide heren van de stad en het stadsbestuur beslisten dat wie vreemde kooplieden tijdens de zaterdagmarkt hindert in de verkoop van hun waren zal gestraft worden met een boete van veertig Rijnsgulden. Tenslotte werd in 1480 ook een jaarmarkt opgericht. Vanaf zaterdag voor de laatste zondag van augustus kon iedereen gedurende veertien dagen de vergelijking maken tussen gangbare prijzen in de stad en het aanbod van vreemde kooplieden.

Zegel van de schoenmakers


Het welzijn van de stedelijke gemeenschap

Het bewijs van vakkennis dat met de meesterproef moest worden geleverd moest de degelijkheid van de geleverde producten garanderen. Deze proef moest bovendien afgelegd worden voor elk lidmaat van het ambacht dat men wilde uitoefenen. In de 18de eeuw wisten eerst de beeldsnijders in 1714 en later de kunstschilders in 1769 zich te onttrekken aan de meesterproef, artistieke creaties waren geen louter ambachtelijk werk.

Om oude schoenen van nieuwe te onderscheiden en om de schoenlappers te beletten nieuwe schoenen te maken, beslisten de heren en de stad in 1588, dat de aldeschoenmakers voor hun herstellingen oud leder ofwel voor het bovenleer, ofwel voor de zolen moesten gebruiken. Voor pantoffels en muilen mogen zij kurk of flotthout niet vervangen door schors of wat anders.

De voorschriften voor de goudsmeden waren nog veel preciezer, zoals ook de controles. Eer men zilverwerk te koop mag stellen zal het drie merktekens dragen: het teken van de gezworene, het stedelijk merk, namelijk de dubbele adelaar, en een gekroonde letter als datering. Deze letter bleef dezelfde gedurende de drie jaar dat een gezworene in functie bleef. Niet enkel op de koopwaar maar ook op de winkel wordt controle uitgeoefend. De gezworene heeft het recht en de plicht de winkels van de goudsmeden te onderzoeken om te zien of zij geen voorwerp verkopen dat niet het vereiste gehalte heeft. Ook voor de tingieters werden kwaliteitsstandaarden naar zuiverheid ingevoerd, met controles op de koopwaar en de winkels.

De reglementen zorgden er ook voor dat de klant goed gediend werd. Is een werk niet tijdig klaar, dan mag de klant klacht indienen bij de deken van het ambacht. Veertien dagen nadat de knaap op last van de deken de betrokken ambachtsman heeft verwittigd moet het werk af zijn. Is dit niet het geval, dan moet voor elke dag vertraging 8 stuivers betaald worden.

Zegel van de meesterlieden (scheerders en volders)


Belangenverdediging door het ambacht

Het ambacht stond ook in voor de bescherming van de ambachtsprivilegiën. Deze konden op verschillende manieren worden geschonden:

Voor de eerste twee kon het eigen ambachtsgerecht optreden, voor het laatste moest men terecht bij de hogere overheid; zoals ook voor betwistingen van uitspraken van het ambachtsgerecht. Dit bracht de ambachten op het gevaarlijke en dure pad van de processen.

Verdediging tegen niet-leden

Bij een aantal processen botste het algemeen erkende visitatierecht van het ambachtsgerecht met het algemeen Luiks rechtsbeginsel dat geen schending van woonst duldde. Soms hielpen ambachtsmeesters zelf bij het ontduiken van de regelgeving, hetgeen de bewijslast erg bemoeilijkte. Zo namen meesters openlijk vreemdelingen in dienst. Tegen vreemdelingen die in de stadvrijheid kwamen werken zonder bij een meester aangesloten te zijn, werd strenger opgetreden. Hun gereedschap werd in beslag genomen. In 1556 was men nog een beetje begrijpend voor vreemdelingen, want men liet hen toe één dag per week in de stad te slijpen, alsook ijzerwerk en nagels te verkopen. In de 18de eeuw was men echter ongenadig: alle waren, door vreemdelingen verkocht werden in beslag genomen; zelfs het repareren van melkkannen, boterpannen of een koperen pollepel was uit den boze.

Zegel van de timmerlieden


Verdediging tegen vreemde koopwaar

Vanaf de 17de eeuw zijner tal van verordeningen tegen de invoer van vreemde koopwaar, telkens wordt wel bepaald dat het gaat om voorwerpen die de eigen ambachtslieden kunnen aanbieden. De mogelijkheid bestond dus wel dat een beter product de ambachten kon beconcurreren en verplichtte hen dus om hun techniek op peil te houden. Gedurende de eerste helft van de 18de eeuw is er een inzinking geweest in de beteugeling van de invoer van vreemde waren. Na herhaald aandringen werd de ambachten op 6 augustus 1767 door de prinsbisschop en de dag later door de abt een reglement gegeven. De confiscatie werd toegelaten en de boete vastgesteld op 3 gulden, 1 gulden voor de inbrenger en 2 gulden voor het ambacht. Uit de losse papieren van de ambachten weten we dat het verbod geen dode letter bleef. De voorwerpen werden steeds aangeslagen door de deken, bijgestaan door een van d leden van het ambacht. Alles werd in de ambachtsrol genoteerd: de persoon die de waren binnenbracht, soort en aantal koopwaar en de plaats van in beslagneming. De overtreders kwamen vervolgens voor het ambachtsgerecht om hun zaken te zien in beslag nemen. Deze werden daarna publiek verkocht.

Deze strijd was echter niet meer te winnen voor de ambachten. Sinds men buiten de steden, waar geen beperkingen golden op het aantal knechten, ook was begonnen gebruiksvoorwerpen te maken; sinds de verbetering van het wegennet met de aanleg van de steenweg Luik – Brussel, was een stedelijke economie niet langer houdbaar.

Geschillen tussen ambachten

Door vooruitgang in de techniek ontstaan steeds nieuwe conflicten tussen de verschillende ambachten en binnen de ambachten tussen de diverse lidmaten. Ook de strak afgebakende opdeling van de koopwaren, gekoppeld aan beroepsgroepen, beantwoordt niet meer aan de realiteit van de late 18de eeuw.

Zegel van de kleermakers


ONTDEKKING VAN DE DAG

Jammaers, Urbain, geneesheer

Ordingen 07.08.1899   Sint-Truiden 24.03.1988  x Lucie Germeys  

Geboren in winning Deplet. Uit Zeppers smedenfamilie. Enige zoon van liberale rentenier Felix en Antonie Vrijdaghs. Kleinzoon van smid Joannes en Anne Gertrudis Saenen.  

Ll. Klein-Seminarie Sint-Truiden. Twee jaar natuurwetenschappen R.U. Luik, maar overgeschakeld op geneeskunde. Huisdokter met specialiteit kraambed 1925. Praktijk in 1927 verhuisd naar Stenaertberg in Sint-Truiden. 

Wetsdokter en stichter Wetenschappelijke Kring van Geneesheren van Sint-Truiden . Lid van de Orde en van Beroepshof Orde. Lid Maatschappij Wetsgeneeskunde België 1946. Oprichter zondagsdienst dokters Sint-Truiden 1939.

Info: HIP archief. Lit.: Rik PIRARD, Zestig jaar toegewijde huisarts en wetsdokter, in HBVL, 01.04.1987; Dr. Luc RENSON, In Memoriam Urbain Jammaers, Sint-Truiden. 1998; Leven in Oud Zepperen, p. 129-142, 419-421.