Het stadsarchief van Sint-Truiden wil zorgdragen
voor haar documenten.
In september 2015 werd gestart met een traject waarbij een team van
vrijwilligers alle schade in kaart heeft gebracht. Tot op heden werd 70
lopende meter oud archief beoordeeld, beschreven en opnieuw verpakt.


Alle informatie van de oude verpakking werd overgenomen en opgeslagen
in de Pallas-databank:
www.pallas.be/sast/wp.htm

De vrijwilligers aan het werk bij het beschrijven van de stukken.

De gegevens worden opgeslagen in een computerbestand.
Met behulp van een digitaal invulformulier werd voor elk archiefstuk de
vastgestelde schade in kaart gebracht.

Elk stuk werd afzonderlijk beoordeeld en de gegevens werden ingevuld in een digitaal formulier.

Ook de conditie van het volledige archief werd bepaald door gebruik te maken van een globale
schade-inventarisatie en een statistische steekproef.
Hiermee werd een algemene indicatie van de conditie van het volledige archief (zowel recent als
oud archief) bekomen.

Vormkenmerken en schade: kijken, kijken en nog eens kijken!
De juiste benamingen van de onderdelen van een boek:


Bron: Peckstadt, A. (2013) VerzekerDe Bewaring. Aflevering Boeken en boekbanden.
Geraadpleegd op 07/04/2017 via /www.faronet.be/verzekerde-bewaring
Tijdens het traject hebben de vrijwilligers alle archiefstukken beoordeeld
op schade. We kunnen schade aan archiefstukken onderverdelen op basis
van 5 belangrijke invloeden:




Wanneer een vettingsmiddel wordt aangebracht op de lederen band dan kunnen de vezels
van het leder niet meer ‘ademen’. Het lederoppervlak barst hierdoor als het ware open.


Wanneer een boek met metaalbeslag onbeschermd naast een ander boek geplaatst wordt, dan kunnen krassen
ontstaan.







Oppervlakte grazende insecten (zoals het zilvervisje) hebben de lijm van tussen de papiervezels gegeten.

Een houtworm maakte boorgangen en gaatjes in het papier.



Toevallig passerende insecten op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.











Onder invloed van een vochtig bewaarklimaat gaan de ingrediënten van de bruine ijzergallusinkt oxideren en verzuren. Wanneer deze schade lang doorgaat dan kunnende letters - die werden gevormd met deze inkt - doorheen het papier vallen.


dit veroorzaakt door een chemische reactie tussen de kalk (waarmee het perkament
vervaardigd werd) en verontreiniging in de lucht.

Papier (en vooral papier daterend na 1845) vergeelt en wordt soms pulverig onder invloed van een ongunstig bewaarklimaat.

Brandschade: door contact met hitte gelatiniseert leder en perkament.




Brandschade: door contact met hitte gelatiniseert leder en perkament.
De originele archiefstukken werden opnieuw verpakt in materiaal dat voldoet aan hoge kwaliteitseisen voor permanente bewaring.


Vrijwilligers aan het werk: ompakken in zuurvrije wikkels en dozen.



Door de eindjes aan elkaar te knopen hebben we inmiddels weer tientallen lopende meter archief
beschreven en omgepakt.
Achter het piramidekerkje van Bautershoven houdt een blauwe steen zich recht in de graskant. Gelukkig heeft iemand er een boompje naast geplant, anders rij je er zo voorbij.
Hendrik Prijs, onze Limburgse Elsschot, schreef het trieste verhaal van Suske de Poup en het Voorvelleke . Dat deden later ook historieschrijver Achille Thijs, de dialectkring Het Neigemenneke en historicus Frank Decat.
Die twee bejaarde vagebonden werden volgens de ingekapte tekst op de steen hier levend verbrand begin oktober 1784. Ze hadden de Gebrande winning in de fik gestoken, verderop richting stad.
Nu laait het vuur daar alleen nog op onder het fornuis om de restaurantbezoekers te verwennen met een zakenlunch. In de zijgevel boven een poortje lees je het jaartal 1785 en de initialen van pachter Van den Hove op de sluitsteen.

De bokkenrijders liggen nog in ons gezamenlijk geheugen, al was het maar door een album van Suske en Wiske. Maar of de twee brandstichters bij zo'n bende hoorden? In elk geval biechtten ze op dat op de heide 't Dekket in Zepperen een duivelse eed van zwijgplicht was afgelegd. Aanstokers waren vier Walen, maar die zijn nooit gesnapt. Criminelen in de jaren 1700 probeerden wel meer bij de rijke boeren geld af te persen. Ze dreigden met brandstichting in een anonieme brief, vastgebonden aan de ring van de poort. De lemen boerderijen onder strodak waren een weerloze prooi.
Petit en Martens voerden hun dreigement uit maar vielen al snel in handen van de schout, zowat de sheriff of politiecommissaris in die tijd. Ze werden gefolterd bij hun verhoor en terechtgesteld aan het Gebrand Lindeken, richting Zepperen. In de stoet ging het van de stad naar de bewuste plek. Suske (Martens) en het Voorvelleke (Petit) werden iets voor de middag op twee passen van elkaar aan een balk geketend. Ze leefden volgens het executieverslag nog drie tot vier minuten in het vuur, maar waren na twee uren nog slechts een hoopje asse.
Dat was de bijnaam van een Franse deserteur, Petit die altijd een lederen smidsvel droeg. Hij huysde, hoetelde en boddelde met de buurvrouw van Suske en met twee Walen. Zijn veertienjarige zoon kreeg wroeging en praatte zijn vader na één week al aan de brandstapel. Truienaar Suske of Fransciscus Martens was een strodekker en leemplakker uit de Hel , een volkswijk nabij de Diestsepoort. Hij was ooit getrouwd geweest met een ware 'poup' van een vrouw, die stierf op bedevaart naar Compostela. Sus hertrouwde later met de dievegge Anastasia Kaky . Die zorgde voor de vuurlonten. Anastasia was een taai wijf en doorstond eerst de tortuur van tenenrek, duimschroeven en 'Spaanse' spanlaarzen. De strappade of de katrol waarmee de beul haar armen achterwaarts optrok deed Kaky uiteindelijk bekennen. Ze werd als medeplichtige gewurgd en geroosterd op de Grote Markt. Haar verminkte lijk hing later als afschrikking in een gaffel op de gerechtsplek van de abt, nu op de kruising van Tramstraat en Halmaalweg .
Hendrik Prijs gaf zijn roman Het Zwakke Verzet uit in 1942. Hij las daarvoor de originele processtukken door. Een proefje van de woorden die hij Suske in de mond legt: De groote winning stond, lijk de oogst in het veld, van de geweldige hitte der laatste dagen poederdroog en als te wachten op ons vonkje vuur. Met vieren hebben we het hem gelapt. De twee Walen, het Voorvelleke en ik. Petit bracht zijn melkmuil van een zoon mee. Ik keef hem verdacht aan, de kerel had een te eerlijk gezicht om betrouwbaar te zijn en bood te veel tegenstand. 'Hij kan een handje bijsteken', sprak het Voorvelleke, 'hij moet meer man worden'. 'Zijn wij geen mans genoeg, Voorvelleke?' 'Muil, dicht en aan 't werk!'
De rijke Lambert Keyenberg-Baltus had bij Bautershoven-Bernissem tussen de twee oorlogen een eigen vliegveld en liet naar verluidt de boodschap op hout uit 1784 vastleggen in de huidige steen aan de wegkant.