Armenzorg en ziekenzorg in Sint-Truiden vóór 1800, Erfgoeddag 2017 'Zorg'

Erfgoeddag 2017 'Zorg'

Armenzorg en ziekenzorg in Sint-Truiden vóór 1800  


Iedere middeleeuwse stad heeft een netwerk van armenzorg en ziekenzorg uitgebouwd. De sporen daarvan zijn aanwezig in monumentale gebouwen, resten van gebouwen, plaatsnamen, het patrimonium van het OCMW. In Sint-Truiden zijn er naast parochiale armentafels vijf stedelijke 'gulden', instellingen voor armen- en ziekenzorg. Een ervan is 'het gasthuis'; van dat gasthuis zelf blijft alleen de hospitaalkapel in de Stapelstraat bewaard. Een ander is het 'huis van malaten' of de leprozengulde die Ziekeren beheert; Ziekeren heeft pas in de 19de eeuw een heel andere inhoud gekregen. Voor ziekenzorg komen we ook terecht bij twee van de vele kloosters: de cellebroeders en de grauwzusters. Onbedoeld krijgt ook het kapucijnenklooster een rol in de ziekenzorg wanneer het in 1798 gekozen wordt als nieuw hospitaal. Dat verklaart waarom tot vandaag dat voormalige klooster nog steeds de zetel is van het OCMW. Dat OCMW is de opvolger van het Bureau van Weldadigheid en de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen (in 1925 samengevoegd tot Commissie van Openbare Onderstand). Bij die twee is op het einde van de 18de eeuw het rijke bezit van de vijf gulden, de parochiale armentafels, de infirmerie van het begijnhof en nog meer terecht gekomen. Het verleden raakt het heden sterker dan men zou vermoeden.

Vijf Gulden

De vijf stedelijke armeninstellingen werden na verloop van tijd aangeduid als de Vijf Gulden (vaak vermeld als V Gulden). Gulde is een variant van gilde, een woord dat vooral bekend is van de middeleeuwse ambachtsgilden. Maar net de ambachten worden in Sint-Truiden nooit gilde genoemd; wel is er de lakengulde maar dat is een soort kamer van koophandel. Met gulde wordt vooral aangeduid wat elders 'tafel' wordt genoemd, inz. Tafel van de H. Geest of armendis. De allereerste is de Sint-Eucheriusgulde van de abdij. Die is ontstaan in het midden van de 11de eeuw als een religieuze broederschap maar evolueerde naar een instelling van armenzorg die tot het einde van de abdij in 1794 bleef bestaan.

Maar veel belangrijker zijn de Vijf Gulden. Het gaat om vijf caritatieve stichtingen met ieder een eigen ontstaansgeschiedenis. Er is 'het gasthuis' of de 'gasthuisgulde' die de goederen van het in 1139 gestichte hospitaal beheert. De 'leprozengulde' beheerde Ziekeren en de eraan verbonden goederen. De oorsprong van de Onze-Lieve-Vrouwgulde is een religieuze broederschap – waarbij het caritatieve nooit ver weg is – die evolueert naar een stedelijke armengulde. De 'H. Geestgulde' draagt in zijn naam een duidelijke verwijzing naar armenzorg: H. Geesttafel is op vele plaatsen zoveel als synoniem van armentafel. Ten slotte is er de 'Schoengulde' die – en dat is wel heel bijzonder – schoenen verschafte aan de armen; tot in de 17de eeuw werden schoenmakers betaald voor het maken van schoenen voor de armen en de Schoengulde betaalde ook het schoeisel van grauwzusters en cellebroeders. Door prins-bisschoppelijke reglementen in 1393 en 1417 krijgen de vijf – dat gasthuys, der heylige geest, onser Vrouwengulde, die Schoengulde en dat huys van de Malaeten – een gemeenschappelijk beheer: de armengoederen en de bedélingen aan de armen zullen beheerd worden door zes jaarlijks te kiezen personen, drie van de prins-bisschop en drie van de stad.

Op het einde van de 17de eeuw wordt inzake armen- en ziekenzorg één en ander op punt gesteld. Er is een reglement voor gasthuis, weeshuis en lazarij in 1682 en het rijke grondbezit van de Vijf Gulden wordt opgemeten en in kaart gebracht door Lambrecht Warnouts. Samen met de gegevens van het bondergeld blijkt dat in Sint-Truiden de V Gulden de zesde belangrijkste grondbezitter is (na vier abdijen en de commanderie van Bernissem) met nog behoorlijk wat bezittingen in omliggende gemeenten. Het bezit in Sint-Truiden heeft in 1798 een kadastraal inkomen van 3118 livres (het gaat om ponden, hier voor het laatst gebruikt). In de loop van de 18de eeuw wordt duidelijk hoe de 'openbare onderstand' georganiseerd is. De V Gulden blijven beheerd door een raad van zes mombers: de twee burgemeesters, twee schepenen, twee burgers; ze vergaderen iedere eerste zondag van de maand in het hospitaal en er zal één ontvanger zijn voor de Vijf Gulden. Die ontvanger moet de priester zijn, die dient te wonen in het hospitaal en er directeur van het weeshuis is. Het maakt duidelijk hoezeer het gasthuis het centrum van de openbare onderstand is geworden. Er zijn daar schone en voldoende graanzolders om al het graan van de armen op te slaan. Het zal nodig zijn: naar het einde van de 18de eeuw toe is bijna de helft van de Sint-Truidense huishoudens op steun aangewezen.

Al zijn de V Gulden doorslaggevend inzake armen- en ziekenzorg, er zijn ook de parochiale armentafels. Het zijn zuiver kerkelijke instellingen voor armenzorg waarbij leken, gekozen door de parochianen, de leiding hebben. Uit goederen en stukken die in 1798 bij het bureau de bienfaisance kwamen, wordt duidelijk dat het in Sint-Truiden gaat om de huysarmen onser Lieve Vrouweparochie, de 'armen' van Sint-Marten, Sint-Gangulfus, Sint-Pieter en Sint-Niklaas (in 1725 samengevoegd), Sint-Jan, Sint-Catherina, Guvelingen, Schurhoven, Melveren en Bevingen (pas in 1795 bij Sint-Truiden). De inkomsten uit hun bezit, waarmee eeuwenlang de eigen parochianen in de miserie werden gesteund, lagen beduidend lager dan die van de V Gulden.

Er is nog een apart geval: het begijnhof. Dat is ook wel een parochie maar ook meer dan dat. Er is daar de Sint-Agnetengulde die behoeftige begijnen ondersteunt uit een niet onaardig bezit. Ook hier weer 'gulde' waarmee het onderscheid wordt gemaakt met een gewone parochiale armentafel. Naast de gulde is er ook de infirmerie. Die infirmerie is veel meer dan de ziekenafdeling van het begijnhof, ze is de beheersinstelling voor het hele begijnhof en zijn vele bezittingen. Het onroerend bezit in Sint-Truiden heeft een geschat inkomen van 1968 livres, niet zo veel minder dan de V Gulden, en bijna tien keer meer dan de huisarmen van Onze-Lieve-Vrouw.

Het gasthuis

Voor stedelijke armen- én ziekenzorg moeten we naar het gasthuis of het hospitaal (dat net dezelfde betekenis heeft). Een eerste initiatief brengt ons naar de abdij. Kroniekschrijver Rodulfus vermeldt er in 1114 twee huizen voor de armen, één voor de zomer en één voor de winter. Het was Chrodegang, bisschop van Metz en abt van Sint-Truiden in de 8ste eeuw, die aan de abdijen de verplichting oplegde over een gasthuis voor de armen en de pelgrims te beschikken. Verder in de 11de eeuw zijn er geen gegevens meer over dat 'gasthuis'. Dat hangt samen met de stichting in 1139 van een hospitaal buiten de abdij. Het was een lekeninitiatief, nog wel onder gezag van de abdij, maar met een eigen beheer onder controle van de schepenen, toen de stadsbestuurders. Het hospitaal lag tussen de abdij en de O.L.V.-kerk, op de hoek van de huidige Meinstraat en de Plankstraat. In 1685 kan men het nog goed situeren zo blijkt uit een goederenregister van het hospitaal: 'we zijn in het bezit gekomen van het (nieuwe) gasthuis in 1240 door een erfmangeling met de abdij van Sint-Truiden van het oude gasthuis dat stond van aan de ingang van de abdijkerk tot aan het huis in de Plankstraat waar tegenwoordig de plebaan van Onze-Lieve-Vrouw woont (dat is niet de huidige dekenij maar een huis nog wat verder in de Plankstraat, dat afgebroken werd bij de bouw van het seminarie)'.

Het hospitaal is inderdaad in 1239 verplaatst. Men zocht een geschikter plaats verder van de abdij en zo kwam het hospitaal in de Stapelstraat op de Scheibeek, de oude loop van de Cicindria. De nog bestaande hospitaalkapel wijst de plaats aan. Van de middeleeuwse gebouwen bleef alleen het gotische koor van dat kerkje behouden. Nieuwe gebouwen kwamen er in de jaren 1683-1684 toen er naast een nieuw gasthuis ook een weeshuis werd gebouwd. Een deel van het gasthuis brandde uit in 1714, de heropbouw gebeurde behoorlijk laat in 1751-1765. Er werden in 1751 twee kareelovens besteld voor 240.000 karelen. In 1752 vermeldt men 'de oude blauwe stenen voortkomende van den afgebrande bouw'... Een laatste vermelding in 1765 luidt: ‘betaald aan meester-schrijnwerker Jan Dubois voor de tekening van de poort der kapel tegen de straat’. Van deze periode stamt het gebouw zoals het bewaard bleef tot 1911.

Over het beheer zijn we geïnformeerd vanaf de prins-bisschoppelijke reglementen van 1393 en 1417. Het gasthuis is één van de vijf armeninstellingen die steeds meer onder vorstelijke controle kwamen. Die betreft de benoeming van de ontvangers en de controle van de rekeningen. Het gasthuis beschikte over aanzienlijke inkomsten uit grondbezit dat van schenkingen voortkwam.

Het werd bediend door broeders en zusters, die professie deden onder de regel van de H. Augustinus. Aan deze heilige was ook de kapel toegewijd. In 1472 wordt geordonneerd dat prins-bisschop en abt om beurt de broeders en zusters zullen benoemen naargelang het geval zich voordoet. Enkele jaren eerder had de prins-bisschop vastgelegd dat broeders voortaan ouder dan 50 en de zusters ouder dan 40 moesten zijn. Dat gebeurde op vraag van het stadsbestuur dat bezorgd was om het schandaalsfeertje in het hospitaal. Het reeds vermelde register van 1685 stelt dat er vroeger broeders en zusters in het hospitaal waren maar dat is al meer dan honderd jaar niet meer het geval. Voor het einde van de 16de eeuw hield die gemeenschap dus op te bestaan, al zijn er ook daarna nog enkele zusters in het gasthuis vermeld.

1682 betekende een nieuwe start. In dat jaar werd een reglement uitgevaardigd en als drukwerk verspreid met als aanhef 'de arme wezen der stad bijeen te brengen op één plaats, de arme zieken te ontvangen en te dienen in het gasthuis, de melaatsen op de lazarij'. Daaruit blijkt de uitdrukkelijke bedoeling te komen tot een gasthuys ende sieckhuys. Voor de zieken betekende dat onder meer: de namen van de zieken zullen opgetekend worden met aankomst en vertrek of bij overlijden waaraan, wanneer en waar begraven; de dokter zal dagelijks de zieken bezoeken; de grauwzusters en de cellebroeders die zieken aan huis verzorgen, zullen hetzelfde moeten doen in het gasthuis respectievelijk voor vrouwen en mannen.

Voor die doelstellingen werd in 1684 een volledige nieuwbouw van gasthuis (met ziekenhuis) en apart weeshuis gerealiseerd. Het was een ambitieuze onderneming waardoor Sint-Truiden over een voor die tijd modern ziekenhuis beschikte. Helaas heeft het slechts een dertigtal jaren dienst gedaan. Uit de beginjaren is er een visitatieverslag: 'men treft er een aantal zieken aan zoals in het ziekenboek is opgetekend', maar verder in de 18de eeuw is er geen spoor van ziekenzorg in het hospitaal. De omslag ligt mogelijk bij de brand van 1714 en de late heropbouw. Een reces van het stadsbestuur in 1788 vermeldt dat 'al de ellende bij oude, zieke en behoeftige mensen voortkomt uit het feit dat er in de stad geen publiek ziekenhuis is, waar de oude en incurabele behoeftige zieken in één plaats en die met een besmettelijke ziekte in een andere plaats bijeengebracht kunnen worden zoals dat in andere steden het geval is'. Het hospitaal is in de loop van de 18de eeuw behalve weeshuis – waarover verder – het centrum geworden van de openbare onderstand. Hospitaal wordt zelfs een synoniem voor de V Gulden. Bij de uitgaven zijn er heel wat tussenkomsten voor ziekenzorg aan huis: het salaris van een chirurgijn en een 'doctoor' (de arts verdient meer dan de chirurgijn) en er zijn terugbetalingen aan apothekers, die aan de armen leveren. Maar een ziekenhuis is er niet. In nieuwe omstandigheden wordt in 1798 besloten uit te kijken naar een nieuw hospitaal.

Wezenhuis

In 1580 vaardigden de Luikse prins-bisschop en zijn medeheer, de Sint-Truidense abt, de Ordinantien ende statuyten vande weescamere der Stadt S.Truyden uit. Met de oprichting van die Weeskamer, een rechtscollege, werd bedoeld de misbruiken van de voogden ten opzichte van de wezen (en volwassen onmondigen) vooral in het beheer van de onroerende nalatenschap recht te trekken. In de ordonnantie van 1580 is er sprake van een weeshuis. Wordt daarmee bedoeld dat sommige wezen werden opgevangen in het hospitaal of is er eerder de verwachting dat er een apart weeshuis zou zijn? Alleszins is er nergens een spoor van een apart gebouw voor de arme wezen. Dat verandert in 1682 wanneer in de Statuyten voor het weeshuys, het gasthuys ende laserie duidelijk de nadruk wordt gelegd op 'de arme wezen der stad Sint-Truiden in de toekomst bijeen te brengen op één plaats'. Bij de bouwcampagne van 1683-1684 werd dan ook naast het gasthuis een weeshuis gebouwd. In 1766 verhuizen de weeskinderen naar het gasthuis, zo noteert chroniqueur Joannes Debruyn. Dat is onmiddellijk na de werken van 1751-1765. Debruyn heeft het verder over het 'weeshuis' in de Stapelstraat, vooral als priester de Merode pastoor van Sint-Marten is geworden en zijn functie als rector van het weeshuis niet wil opgeven. Daarover wordt een proces gevoerd. Slotsom: van de grote poort en alle andere deuren worden sloten en sleutels veranderd en de eerwaarde staat voor schut. Het illustreert dat het gasthuis weeshuis is geworden. In de kadastrale gegevens van einde 18de eeuw is er een huis in de Stapelstraat dat Weesenhuijs wordt genoemd en een groter huis (en hof) dat 't Groot Weesenhuijs wordt genoemd. Dat laatste heeft een geschat inkomen van 35 livres. Ter vergelijking: het cellebroedersklooster 40 l., het kapucijnenklooster 60 l., de grauwzusters 30 l.

In de statuten krijgt de werking van het weeshuis ruim aandacht. De leiding is in handen van een priester, de meester van de jongenswezen. Voor de huishouding is de meesteres verantwoordelijk. Ze zal met de meid en de oudere meisjeswezen naar de markt gaan en ze zal met een beurtrol de oudere meisjes aan het werk zetten in keuken en huis. Zo zullen ze ook voorbereid zijn om in dienst te gaan. Daarnaast wordt de nadruk gelegd op het leren van kantwerk. De jongens zullen vooral voorbereid worden op het uitoefenen van een ambacht: de zwaksten kunnen kleermaker worden, de sterksten smid.Vastgelegd is ook waar en wanneer en wat de maaltijden zijn. Meester en meesteres zullen een eerlijke portie meer hebben dan de kinderen maar ze zullen de huishouding goed moeten in het oog houden 'zo veel te meer ellendige weeskinderen kunnen geholpen worden'. Veel aandacht krijgt ook het gebed: de dag begint met het morgengebed, de litanie van O.L.V. van Loreto en de mis; uitgebreid gebed voor en na de maaltijd; de dag eindigt in de kapel met het avondgebed en het De profundis voor alle overleden weldoeners van de armen. Zakelijker is het 'Keucken Boek' uit 1684, opgelegd door de vermelde statuten. Al is het 'de gemene uitgever voor weeshuis en gasthuis' toch gaat het vooral om het weeshuis. Directeur van de 'knegtiens' was Lambertus Heusdens, pastoor van Sint-Jan en Sint-Catherina. Joanna Luycx was de directrice van de meisjeswezen en zorgde voor het huishouden. Zorgvuldig tekende ze op wat ze uitgaf aan abberdaan, stokvis of boksharing of koeken voor Sint-Niklaas.

In 1796 wonen er priester J.L. Libens, directeur van het weeshuis, Gertrude de Pac, huishoudster, 14 jongens en 6 meisjes. Dat is een momentopname vlak voor het einde onder Frans bestuur. In 1798 worden door het gemeentebestuur belangrijke beslissingen getroffen: 1. er moet een inventaris gemaakt worden van de sacristie en alle meubelen in het weeshuis; 2. het pas opgerichte Bureau de Bienfaisance moet voorstellen doen om de kapel tot nut van het algemeen te gebruiken; 3. Libens moet zijn rekening indienen binnen de tien dagen en hij moet het gebouw binnen drie weken ontruimen; 4. het gebouw moet verhuurd worden. Toch blijft het oude hospitaal/weeshuis ook nadien nog de vergaderruimte van het bureau van weldadigheid en de commissie der burgerlijke godshuizen. Ook de heropgerichte Berg van Barmhartigheid vond er een plaats tot hij in 1886 werd opgedoekt (er was al een Berg van Barmhartigheid in de 17de-18de eeuw, gevestigd in de Minderbroedersstraat). Bijna was het wezenhuis opnieuw wezenhuis geworden: de broeders van liefde begonnen er een volksschool en namen er de weesjongens op, maar enkele jaren later trokken ze naar de kapucijnen. Helemaal nieuw is de rijksschool die er in 1845 kwam en die in 1851 werd omgevormd tot 'école moyenne de l'état' – rijksmiddelbare school. De stedelijke tekenschool ten slotte nam er de plaats in van de berg. Toen beide instellingen in 1911 verhuisden, was het gebouw gedoemd te verdwijnen.

Melaatsen in Ziekeren

Zoals iedere middeleeuwse gemeenschap werd ook Sint-Truiden geconfronteerd met lepra. Melaatsheid werd een permanent verschijnsel met een beperkt aantal lepralijders in tegenstelling met een besmettelijke ziekte als de pest die op korte tijd veel slachtoffers maakte om dan weer te verdwijnen. Leprozen werden zoveel mogelijk geïsoleerd in lazarijen of leprozerijen. In 1216 wordt tussen de kerken en kapellen van de abdij de Heilige Maria Magdalena ter zieken vermeld: dat is Ziekeren. Ziek werd gebruikt voor leprozen omdat er een taboe rustte op lepra. Dat is overigens ook het geval met het Franse malade, waarvan melaats is afgeleid. Ziekeren was dus de plaats waar gedurende een vijftal eeuwen de melaatsen verbleven, de Sint-Truidense lazarij. Er is in de 13de eeuw een vermelding van een tweede lazarij, gesitueerd tussen Schurhoven en Bautershoven, maar daarvan is verder geen spoor meer.

Omdat de naam Ziekeren bewaard is gebleven voor het ziekenhuis van de broeders van liefde kunnen we het goed situeren. Landmeter Warnouts heeft het oorspronkelijke Ziekeren opgemeten en gesitueerd in zijn Atlas van de V Gulden. De vorm van het perceel is goed herkenbaar en daarbij blijkt dat de gebouwen van het nieuwe Ziekeren vlak naast het lazarijterrein zijn opgetrokken. Warnouts tekende naast de kapel twee huisjes maar dat is een beeld van de jaren 1680-'90 toen er maar twee melaatsen meer waren. Daarvoor moeten er meer huisjes geweest zijn. Het is bekend van vergelijkbare instellingen dat een huisje na het overlijden van de melaatse bewoner opgestookt werd. Aantallen kennen we vanaf 1527: toen waren er 32 leprozen, in 1555: 24, 1598: 6, 1650: 5, 1670: 7. In 1682 worden er nog twee met naam vermeld, Margriet Veriannen, voor wie per maand 3 gulden wordt uitgegeven en Abraham Abertyns met 30 stuivers (de helft van 3 gulden). Die laatste betaling stopt plots omdat bleek dat hij geen Sint-Truidens burger was. Margriet is de laatste in 1689: ze wordt dan Margriet Leproos genoemd, zo uniek was ze geworden.

Wat meer gegevens over de werking komen uit stedelijke reglementen en eigen rekeningen. Rond 1525 is er een grote toeloop in Ziekeren. Voor hun onderhoud zijn de inkomsten van de leprozengulde onvoldoende en de specifieke armengulden moeten bijspringen. De kosten van onderzoek tot toelating moeten gedragen worden door de armentafels van de parochie waarvan de echte of vermeende zieke afkomstig is. Dat onderzoek was nodig om niet-melaatsen op wie levenslang onderhoud in de lazarij aantrekkingskracht uitoefende uit te sluiten. Dat kwam al tot uiting in een vorstelijke ordonnantie uit 1417: niemand zal brood en onderhoud in de lazarij mogen hebben of er in komen tenzij hij of zij poorter of poorteres is van de stad en hij of zij inderdaad met de ziekte besmet is. Buiten onderhoud werden de leprozen in Ziekeren ook getracteerd: een aam bier op Verloren Maandag, Vette Donderdag en kermis Sint-Truiden, een half aam op de dag van de verkiezingen en op Sacramentsdag en een pot wijn op 'kermis tot sieckerendag'. Voor onderhoud en extra's stond de leprozengulde in. Die beschikte over een eigen patrimonium. Tot dat patrimonium behoorde de leprozenwinning bij de lazarij gelegen. De verkoop van deze winnig in 1665 wijst op het afnemend belang van Ziekeren.

In het reglement van 1682 voor weeshuis, gasthuis en lazarij zijn er amper drie punten vermeld voor Ziekeren. Na 1689 is er geen leproos meer. In 1739 worden kerkhof en moeshof van de lazarij verhuurd. Het kerkje bleef alleszins tot op het einde van de 18de eeuw bestaan want in 1797 wordt betaald voor het afdoen van het kruis. In 1834 geeft de commissie van de godshuizen opdracht de grachten van het terrein genaamd 'Lazareth' te dempen en daarmee verwijnt het laatste spoor van het eerste Ziekeren.

Van de pest ...

De eerste grote pestepidemie midden 14de eeuw, die bekend bleef als de Zwarte Dood, wordt met een geleende tekst beschreven door de kroniekschrijver van de abdij. Daarbij wordt geen melding gemaakt van desastreuze gevolgen in eigen stad of streek. Dat wordt bevestigd in een verslag van een onderzoek naar de geringere ontvangsten van de abdij: 'er was godzijdank geen grote sterfte'.

In de volgende eeuwen zou Sint-Truiden echter evengoed zijn deel krijgen. De maatregelen van het stadsbestuur lichten ons in over de opeenvolgende epidemies, een tiental tussen 1458 en 1668-1669. Zo 1479-1480 (pestilentien), 1520-1521, 1531 (van der haestiger zieckheyt), 1545, 1565 (contagieuse ziekte), 1574-1576, 1579-1580, 1631, 1652 en 1668-1669 (die besmettelycke sieckte der peste). Mede door de getroffen maatregelen zijn de gevolgen van de epidemies minder desastreus dan uit de verhalen over de 14de eeuw naar voor komt. De vraag zal ook blijven of het werkelijk de pest is die heerst dan wel een andere besmettelijke ziekte. Na 1669 zijn er van stadswege geen maatregelen meer in verband met de pest. Wel is er nog een gekozen pestmeester die in 1682 gratis het poorterschap wordt verleend. Debruyn noteert dat er van juni 1732 tot januari 1733 een 'pestiale koorts' onder de mensen is, waaraan velen zijn gestorven. En nog eens in juni 1770 'dan begint er hier en elders in steden en dorpen een pestiale ziekte'. Zijn woordkeuze sluit aan bij de twijfel over echte pest. Een epidemie die wel een naam krijgt is dysenterie, die zich voordoet in 1676, 1691 en 1693. In dat laatste jaar waren er veel slachtoffers: 1500 volgens de laatste voortzetting van de abdijkroniek, waarvan er alleszins enkele honderden (zonder de kinderen) in de begrafenisregisters zijn vermeld.

Maar het is en blijft de pest die gevreesd wordt. Het reglement van 1458 verbiedt de Truienaars pestlijders van buiten te ontvangen of te huisvesten en kleren van gestorven pestlijders binnen de stad te brengen. Wie buiten de stad zieken wil gaan oppassen moet zes maanden wegblijven. In 1597 wordt voor een dreigende epidemie bepaald dat de bewoners van een huis waar de ziekte heerst, zes weken moeten binnenblijven en aan de deur een bussel stro aanbrengen; voor hun bevoorrading kunnen ze een mand voor hun deur zetten. Ook werd het hospitaal wegens de grote toeloop gesloten. Men wordt ook veel strenger op de hygiëne: alle afval moet weg uit de straten, niemand mag nog konijnen of katten houden, rondlopende honden mogen doodgeslagen worden en ook op de verkoop van groenten en fruit werd strenger toegezien.

Een pestmeester wordt voor het eerst tijdens de epidemie van 1579-1580 aangesteld. Hij krijgt een jaarwedde van 50 gulden en de stad moet zorgen voor huisvesting en verwarming. Wie geneest moet betalen, behalve de armen. Op 11 november 1668 wordt een bogaardenbroeder als pestmeester aangenomen, maar reeds op 5 april 1669 moet in zijn vervanging worden voorzien: Jan Rox, die de functie reeds in 1652 bekleedde wordt zijn opvolger. Hem wordt een huis bij het zwartwater ter beschikking gesteld. Jan Rox, chirurgus pestiferorum, overleed te Sint-Truiden in 1679. Ook minderbroeders en kapucijnen staken meer dan een helpende hand toe in 1669. In het dodenboek van de minderbroeders is vaak bijgevoegd: in dienst van de pestlijders overleden. In de hof van de minderbroeders werd zelfs in 1669 een pesthuis gebouwd. In hetzelfde jaar stierven er vijf kapucijnen in dienst van de pestlijders.

Grauwzusters en cellebroeders

De belangrijkste ziekenverzorgers in Sint-Truiden waren de grauwzusters en de cellebroeders. In 1473 werden door het stadsbestuur met goedkeuring van de prins-bisschop vier broeders toegelaten vooral met het oog op dodenzorg. Daartoe zouden ze inkomsten van de stad en van de parochiale armentafels genieten. Tweemaal per week mochten ze van deur tot deur bedelen. Al in 1479, een pestjaar, werd door de stedelijke overheid gevraagd hun aantal op zes te brengen. Telkens opnieuw bij pestepidemies duikt de naam van de cellebroeders op. In 1520 wordt beslist dat de mannelijke pestlijders, die naar het hospitaal waren gebracht, er zullen verpleegd worden door de cellebroeders. In 1531 wordt voor hen een uitzondering gemaakt op de quarantaine die wordt opgelegd aan wie een pestlijder aan huis is gaan verzorgen. In de ambitieuze plannen van 1682 voor het gasthuis én ziekenhuis kregen de cellebroeders de opdracht niet alleen de zieken thuis maar ook die in het hospitaal te verzorgen. Ze worden zelfs geacht zieken in een draagstoel naar het gasthuis te brengen.

Het klooster van de cellebroeders of alexianen lag in de Koestraat (nu Schepen Dejonghstraat). In de 18de eeuw werd daaraan herhaaldelijk verbouwd. Dat is bepalend geweest voor het gebouw zoals het er vandaag nog uitziet. Alleen is dat gebouw nauwelijks als klooster herkenbaar. Het werd, na als meisjesweeshuis te zijn gebruikt, opgedeeld in enkele woonhuizen. In 1796 woonden in het klooster acht broeders. Kort daarop moesten ze hun klooster verlaten, het werd wegens zijn aard aan de hospices civils toegewezen. In 1806 en ook nog daarna werd door het stadsbestuur aangedrongen op een terugkeer van de broeders, waarvan er enkele in de stad waren blijven wonen. Het cellebroedersklooster zou echter niet meer herleven.


Zo mogelijk nog meer dan de cellebroeders hebben de grauwzusters een centrale rol in de ziekenzorg gehad. In 1532 werden door de stad twee huizen aan 't Vissegat gekocht. Ze moesten dienen tot huisvesting voor de zusters die de toelating hadden gekregen er een gemeenschap van 8 zusters te vestigen. In hun klooster mogen ze verzorgen allen vrouwen persoonen en de kinderen, oick die knechtkens onder vijfthien jaeren oud sijnde, die welcke van der haestigher sieckheyt oft anderen schauwelijcke sieckheijden cranck ende besmet weeren.

Het gaat in 1532 om een heroprichting: enkele zusters, die waren overgegaan naar een ander klooster, verzochten opnieuw tot het gewone grauwzusterschap aangenomen te worden. Mogelijk worden daarmee de zusters bedoeld die naast de cellebroeders in 1520 de opdracht kregen de pestlijders in het hospitaal te verzorgen. De activiteit van de grauwzusters bestreek alle facetten van de ziekenzorg: niet alleen verzorgden ze de zieken aan huis en in het hospitaal, maar ook hun klooster zelf werd een toevluchtsoord voor pestlijders, gebrekkigen en zinnelozen. Inzake het afleggen van overledenen verwierven ze een zo sterke positie dat ze daarover met de cellebroeders en met het smedenambacht in conflict kwamen; het kerkhof van de grauwzusters was ook de laatste rustplaats van vele pestslachtoffers.

Als het stadsbestuur in 1788 betreurt dat er geen publiek ziekenhuis is, wijst het ook op de rol van de grauwzusters of Elisabetienen, die het werk niet aankunnen in geval van besmettelijke ziekte. Daarom stelt men voor 'een nieuwe bouw aan de Grauwzusters want de lokatie is er gans gezond op het uiterste en op een hoek van de stad gelegen en bij de rivier'. Men zou daarvoor de recente schenking van schepen Van Staden aan de armen van de acht parochies kunnen toevoegen aan de V Gulden en met die middelen het ziekenhuis bouwen. Dat was evenwel zonder de waard (de armentafels van de parochies) gerekend.

In 1796 woonden er twaalf grauwzusters in het klooster aan het Vissegat, tot ook zij moesten vertrekken. Als onderdeel van het burgerlijk gasthuis werd in de 19de eeuw het kloostergebouw nog een tijd voor bejaarden- en ziekenzorg gebruikt. De laatste muren van een nochtans knap gebouw werden omstreeks 1980 gesloopt.

Naar de kapucijnen

1794 is een kantelmoment: de Franse annexatie betekent nieuwe wetten, nieuwe instellingen maar ook de sluiting en onteigening van kloosters. Het verdwijnen van cellebroeders en grauwzusters was bijzonder pijnlijk in een stad zonder ziekenhuis. Nieuwe kansen werden geboden door de wetten van september 1796 onder het Directoire die aan de gemeenten oplegden een Commission des hospices civils (later vertaald als burgerlijke 'godshuizen') respectievelijk een Bureau de bienfaisance (bureau van weldadigheid) in te richten. Al op 7 december 1796 werd in Sint-Truiden een commission des hospices geïnstalleerd. In de moeilijke jaren 1796-'98 was echter de beladen opdracht instellingen, bezittingen én rekeningen bijeen te brengen nauwelijks te realiseren. In juni 1798 moest het gemeentebestuur het nieuwe Bureau de bienfaisance aanmanen orde op zaken te stellen in het hospitaal-wezenhuis, waar priester, directeur en ontvanger van de V Gulden Libens nog steeds de leiding had. In september van hetzelfde jaar besliste het bureau, dat tevens als commission des hospices civils fungeerde, uit te kijken naar een nieuw hospitaal. De keuze viel op het kapucijnenklooster: de gebouwen waren ruim en in degelijke staat, het goed liep aan de kant van de vest tot aan de Cicindria en de mogelijkheid bestond om er ook het grauwzustersklooster bij te betrekken. In september 1798 wordt het kapucijnenklooster gekocht voor 190.000 francs (ter vergelijking Jeruzalem bracht 10.200 fr. op en de Capucienessen 12.200 fr.). Men wil het voormalige kapucijnenklooster gebruiken als ziekenhuis (maison hospitalière) om er de arme zieken te plaatsen. Het kapucijnenklooster lag en ligt in wat nu de Cl. Cartuyvelsstraat is, met het kerkje als opvallend onderdeel aan de straatkant.

Het opstarten van het burgerlijk hospitaal verliep niet zo vlot al drong men daar van hogerhand op aan omdat men het ook voor militairen wilde gebruiken. In 1803 schrijft het bureau dat het alleen nog een kwestie is van meubilering. In 1808 zijn er als vaste bewoners van het nieuwe hospitaal drie stafleden (directeur – econoom – kok), 76 zieke mannen en vrouwen en drie zieke wezen. Er was duidelijk behoefte aan een écht hospitaal maar er is nog een probleem. Reeds in 1806 schreef de ‘maire’ aan de ‘prefect’ dat een nieuwe gemeenschap van grauwzusters, waarvan er nog vier in de stad wonen, een goede zaak zou zijn en hetzelfde geldt voor de cellebroeders. Daar wordt nog herhaaldelijk op teruggekomen. In 1824 vraagt het stadsbestuur de toelating van veertien dochters van liefde gezien 'het groot voordeel dat door de inrichting van zulke congregatie voor de kranken in de godshuizen zou voortvloeien, als zij niet meer door loonbedienden maar door personen tot die dienst toegewijd in een geest van Liefde zouden opgepast worden'. Nog in 1836 werd gezocht naar hospitaalzusters. Het zouden broeders worden.



Archiefkoffertje van een Sint-Truidense armentafel, recente schenking.

In een dergelijk koffertje werden de eigendomstitels van armentafels eeuwenlang zorgvuldig bewaard

Heerschappije Cheynsen ende capuynen toebehorende den H. Gheest Gulde (p. 13), Onze-Live-Vrouwe Gulde (p.62), Gasthuys van Sint-Truiden (p.111), De Leprozen van Sint-Truiden (p.191), De Schoengulde (p. 201) (SAST_BG_14)

In dit register werden de cijnsrechten genoteerd voor de vijf instellingen, die samen de Vijf Gulden vormden.

Creatie van honderd twintigh guldens jaarlijxe rente door de heer Nicolaus Bonaventura de Creeft ten behoeve der armen gulden

Kadasterplan Sint-Truiden, 5de blad (SAST_Kaarten en plannen)

De administratie van het kadaster was al in 1825 klaar met de opmetingen op het terrein voor de kadastrale plannen. De stad binnen de stadsomwalling werd in 7 kaarten vastgelegd. Deze geven voor het eerst een gedetailleerd beeld van de stad. Het 5de blad toont de omgeving van Sint-Maarten met het vroegere gasthuis, in 1825 nog in dienst als zetel van het Bureau van Weldadigheid en de Godshuizen. Van 1834 tot 1839 was er een jongensschool en weeshuis van de Broeders van Liefde.

Plannen voor verbouwingen van het Gasthuis in de Stapelstraat

(SAST_Kaarten en plannen, C.O.O.)



Wapenschild van landcommandeur Edmond Godfried von Bochholtz

De Duitse Orde, met hun commanderijen in Bernissem en Ordingen, leverden aanzienlijke financiële steun bij de bouw van het kapucijnenklooster. Vermoedelijk bevond dit gepolychromeerde houtsnijwerk zich in het interieur van het klooster.






ONTDEKKING VAN DE DAG

De bibliotheek van de professoren

In de Abtsvleugel, boven de Keizerszaal, kan je de bibliotheek bezoeken van de leerkrachten van het Klein Seminarie en de Normaalschool. Er is geen band met de bibliotheek van de vroegere Benedictijnenabdij (gedrukte werken vanaf +-1450) of met het Klein-Seminarie (1589) uit het Ancien Régime, beiden verspreid geraakt na 1794 bij de Franse bezetting. Uitzonderlijk zijn een drietal abdijboeken opnieuw in de Seminariebibliotheek terechtgekomen. 

In 1831 werd het Klein Seminarie van het bisdom Luik heropend in Rolduc. De bibliotheek was samengesteld uit boeken afgestaan door het Groot Seminarie te Luik, vooral de collectie van kanunnik Ernst. Later vooral (testamentaire) schenkingen van priesters en leerkrachten. Soms ook aankopen vb. de bibliotheek van professor-provisor Jozef Schoofs in 1943. Rond 1900 een vijftigtal tijdschriften.

Door de scheiding van de beide Limburgen in 1839 zocht de Luikse bisschop Van Bommel een nieuwe vestiging voor zijn Klein-Seminarie aan de Belgische kant van de nieuwe grens. Het werd de oude abdijstad Sint-Truiden, waar op de grondvesten van de grotendeels afgebroken Benedictijnenabdij vanaf de jaren 1844 een nieuwbouw naar ontwerp van de Gentse architect Louis Roelandt verscheen. 

De oude Abtsvleugel werd gebouwd vanaf 1751 en kende opeenvolgende herinrichtingen. Deze vleugel werd gespaard bij de afbraakwoede in de Franse tijd. De bibliotheek met de houten wandrekken dateert uit de historiciserende neo-classicistische verbouwingsperiode 1839-1843. De staande rekken zijn van latere datum. De functie van deze ruimte voor 1839 is niet gekend. Rond de bibliotheek lagen westelijk het fysicalokaal, de liftkoker en een bergplaats, noordelijk het kabinet natuurlijke historie en het lokaaltje van de bibliothecaris. Oostelijk bij de traphal was het leeskabinet.

Deze bibliotheek had een afgesloten karakter, vertrouwend op de kleine groep gebruikers. De bibliothecaris was een cumulfunctie voor een professor. Het Klein Seminarie bestond uit een humaniora en uit de twee eerste opleidingsjaren voor het priesterschap met vooral filosofie. Vakken in de bibliotheek : theologie, filosofie, klassieke talen, Frans en geschiedenis. Ook kerkelijk recht, Duits, Nederlands en wetenschappen.

In totaal 25.000 drukken, waarbij een 8.500 gedrukt voor 1840, en ook een 80-tal handschriften. Het archief van het voormalig Klein Seminarie wordt er ook bewaard.

Voor de leerlingen waren er per leerjaar of vereniging – literair of religieus - kleine bibliotheekjes opgebouwd.



De teloorgang begon na de eerste wereldoorlog, toen het Klein Seminarie de nadruk legde op de middelbare opleiding in plaats van het hoger onderwijs. Na het vertrek van de filosofiejaren in 1966 was de bibliotheek ten dode opgeschreven. De brand in 1975 spaarde gelukkig de abtsvleugel. In 1985 nam de Provincie Limburg deze vleugel in erfpacht van het Bestuurscollege van het Bisschoppelijk Seminarie van Hasselt en bracht er het Provinciaal Documentatiecentrum Cultureel Erfgoed of Abdij Sint-Truiden onder, in al 1979 uitgebreid met de bruikleen van het Fonds Govaerts, een 10.000-tal boeken. Het fonds Govaerts is de persoonlijke bibliotheek van priester Emiel Govaerts (1869-1946) en van zijn broer priester Jan Govaerts (1896-1971). Deze laatste was archivaris van het bisdom Luik en liet de bibliotheek na aan de vzw. Vrienden van het Begijnhof te Sint-Truiden.

In 1993 nam de Stad Sint-Truiden deze erfpacht over. Bij het terugtrekken van de Provincie Limburg uit de vroegere Abdij werden het Fonds Govaerts, bij testamentaire beschikking verplicht binnen Sint-Truiden te bewaren, en de Seminariebibliotheek overgelaten aan het Stadsbestuur van Sint-Truiden. De al begrote plannen van de Provincie om in de bibliotheek een documentatiecentrum te vestigen na verbouwing en vervanging van de rekken raakten in de koelkast. Momenteel beheert de stadsarchivaris deze verzamelingen in situ. In 1997 verscheen een catalogus van de 16de-eeuwse drukken bewaard in Limburgse bibliotheken. Hierbij waren 204 edities uit de Seminariebibliotheek en 3 uit het Fonds Govaerts. Vanaf 1978 werd een voorlopige inventaris van het Fonds Govaerts opgesteld. Ongeveer de helft van de boeken hebben oude kunst als onderwerp.


R(af) VAN LAERE, Het Fonds Govaerts, in : Historische bijdragen ter nagedachtenis van G. Heynen, (Historische bijdragen over Sint-Truiden, 4), Sint-Truiden : Geschiedkundige Kring, 1984, p. 343-352; Karel VERHELST, Het interieur van de abtsvleugel van de voormalige abdij van Sint-Truiden, in : M&L, jg. 9, nr. 1, 1990, p. …..R(af). VAN LAERE, Het Klein Seminarie vanaf het ontstaan tot 1940, in : Omzien in dankbaarheid. 150 jaar katholiek onderwijs in de abdij van Sint-Truiden. Heilig-Hartschool. Klein Seminarie. College, Sint-Truiden, 1992, p. 12-56; Karel VERHELST, De bibliotheek van het voormalig Klein Seminarie van Sint-Truiden, in : Sint-Truiden 1300, Sint-Truiden : Appel, 1993, p. 28 ; Karel VERHELSint-Truiden m.m.v. Raf VAN LAERE, Catalogus van de 16de-eeuwse drukken bewaard in Limburgse bibliotheken, (Archief- en Bibliotheekwezen in België, extranummer 54), Brussel, 1997; Franz AUMANN, Onderzoek naar de bibliotheek van de benedictijnenabdij van Sint-Truiden in de tweede helft van de 18de eeuw. Nieuwbouw, verwervingen, teloorgang en verspreiding, in: Historische bijdragen over Sint-Truiden en omgeving, Sint-Truiden: GOKSint-Truiden. 2006, p. 27-60.