
Dit kommetje met oor uit aardewerk werd in 2008 gevonden tijdens een archeologische opgraving van het voetbalterrein in Velm. Het archeologisch onderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van de aanleg van het kunstgrasveld waarbij een deel van het terrein werd uitgegraven.
Tijdens de opgraving werden drie crematiegraven uit de late bronstijd gevonden. Uit crematiegraf 1 werden de meeste scherven gerecupereerd, nl. 67 stuks, waarbij 24 scherven afkomstig zijn van dit geoord kommetje. Dit kommetje is mogelijk als een grafgift bijgezet.
Aan de buitenkant zijn duidelijk sporen van verbranding te zien. Ook enkele losse scherven vertonen aan de buitenkant brandsporen. Dit materiaal is dus mogelijk mee op de brandstapel gelegd bij het cremeren van de overledene.
De graven kunnen toegeschreven worden aan de urnenveldencultuur (ca. 1050 – 800 v.Chr. / late bronstijd tot vroege ijzertijd).
Het hoofdkenmerk van de urnenveldencultuur is de crematie van de dode, het plaatsen van de crematieresten in een urne en het bijzetten van de urne in vlakgraven in uitgestrekte grafvelden (van enkele tientallen tot honderden graven).
De graven zijn uitsluitend crematiegraven, gekenmerkt door een sober grafritueel met meestal slechts schaarse grafgiften. In de meeste gevallen beperkt het zich tot een enkel object, een beker of geoorde kom. In de graven die tijdens dit onderzoek werden aangesneden werden de urnen met de crematieresten niet aangetroffen, wellicht door het feit dat de grafkuilen te ondiep bewaard zijn en de urnen dus reeds weggegraven zijn.
In de oudheid werden in oorlog of jacht veroverde trofeeën aan een stok opgehangen. Dit motief ging een eigen leven leiden als allegorische decoratie. Kalksnijders modelleerden in het nog vochtige stucwerk voorwerpen tussen bloemenslingers aan linten opgehangen.
In het stadhuis op de Grote Markt op het 'schoon verdiep' zijn in de hoge vestibule de vier kunsten en twee speciale thema's uitgewerkt, de zeevaart en het landleven. Die laatste werken dateren waarschijnlijk uit de Hollandse periode (1815-1830) onder burgemeester J.A.N. Van den Berck. Scheepvaart en de Nederlandse vertaling van Vergilius wijzen daarop.
