Hamerbijlen zijn doorboorde stenen hamers, ook wel strijdhamers genoemd. Hamerbijlen onderscheiden zich van andere stenen bijlen door een doorboring die loodrecht op de lengteas is aangebracht. Met deze doorboring kon de stenen bijl aan een houten steel worden vastgemaakt. De achterkant bestaat meestal uit een stomp, afgeplat hamervormig eind. Ze werden gebruikt als wapens, om hout te splijten, om bomen te kappen, als statussymbolen of als ruilobjecten.
Stenen hamerbijlen werden al gemaakt in de bandkeramische periode (5300-4900 v. Chr.), maar komen dan nog niet veel voor.
Vooral in de Rössen-periode (4900-4300 v. Chr.) en het laat-neolithicum (3200-2000 v. Chr.) komen ze volop voor in Limburg, vooral in de Maasvallei en het oostelijke gedeelte van het Kempisch plateau. In de Rössen-periode werden ze eerder gebruikt als ruilobject bij contacten tussen de eerste landbouwers en de lokale jagers-verzamelaars.
In het laat-neolithicum waren ze allicht eerder grafgiften en worden ze dan ook vaak in graven uit deze periode teruggevonden.
Hamerbijlen zijn gemaakt van de meest harde steensoorten zoals diabaas, doleriet, gabbro en amfiboliet. Veel bijlen van de Rössen-cultuur werden in amfiboliet gemaakt. Dit is een grondstof die allicht uit de westelijke Karpaten afkomstig is, ongeveer 1000 km van hier. Tijdens het laat-neolithicum kwamen de grondstoffen eerder van de Noord-Nederlandse en Noord-Duitse gletsjerformaties.

Honderdduizenden zelfbouwkapelletjes
Priester Fernand Mariën, eerst onderpastoor in Jette en later kloosterdirecteur en godsdienstleraar bij de Ursulinen in Tildonk, startte in 1956 een nationale actie ‘Regnum Mariae’. Op zowat alle huisgevels verschenen houten kapelletjes met daarin een Italiaans plaasteren beeldje van de Madonna. De distributie kaderde in een Mariaal offensief van twaalf weken in de parochie met een propagandadag en een “koninginnedag” waarbij iedereen zijn zelfbouwkapelletje kon afhalen. Voor het vensterglas moest je zelf zorgen, want in principe was het kleinood gratis. Giften werden in dank aanvaard. Bij het overlijden van de initiatiefnemer in 1978 zouden er een kwart miljoen gevelkapelletjes verspreid zijn.

In de loop van de actiejaren veranderde het kapelmodel. Kenmerkend bleven de Maria-M getopt met kruisje en het gekroonde M-monogram dat verwees naar het Rijk van Maria. In de laatste fase waren de gevelkapelletjes actueel gestroomlijnd en in kunststof uitgevoerd. De honderden houten exemplaren in Sint-Truiden hebben de tand des tijds meestal niet overleefd. Ze worden zeldzaam.
