Deze steengoed drinkkan werd ontdekt tijdens een archeologische opgraving op de Groenmarkt in Sint-Truiden. Het kannetje heeft een platte bodem en is bedekt met een dunne laag zoutglazuur. Dit type kan is afkomstig uit Raeren en werd rond 1500-1550 vervaardigd.
Steengoed is een soort aardewerk dat wordt gebakken op extreem hoge temperaturen, boven de 1200 graden Celsius. De glazuurlaag werd verkregen door zout in de openingen van de oven te strooien. Steengoed is bijzonder stevig, waterdicht en bestand tegen zuren.
Deze bijzondere vondst werd volledig intact teruggevonden in een graf op de Groenmarkt enis vermoedelijk als grafgift aan de overledene meegegeven.
Om steengoed te maken, is kwalitatieve klei nodig. Deze kleisoort werd gevonden in het Rijnland en het Westerwald. In het Belgische Raeren, gelegen tussen Eupen en Aken, werd steengoed vervaardigd.
Eeuwenlang was het steengoed uit Raeren een populair massaproduct en genoot het internationale bekendheid. Vooral in de 16de eeuw bereikte de productie van steengoed haar hoogtepunt.
Naast drinkgerei werden er ook diverse huishoudelijke voorwerpen gemaakt, zoals voorraadkruiken, olielampjes, schalen, vergieten, zeven, roompotten en zelfs nachtpotten. De productie van steengoed in Raeren ging door tot 1850.

In 1879 werd een spoorlijn geopend tussen Neerlinter en Tongeren. Vooral bedoeld om in onze omgeving bietsuikerfabrieken (Ordingen en Bernissem) en de opkomende fruitexport naar het Duitse Ruhrgebied te bedienen. Door het heuvelige terrein waren dijken en doorsnijdingen noodzakelijk. Zo ook op de Honsberg op het drielandenpunt tussen Ordingen-Rijkel-Zepperen, met overbrugging.

Het private project voor Aken-Brussel mocht niet concurreren met de bestaande staatslijn Tienen-Luik en werd dus beperkt tot een kronkelend tracé Neerlinter-Tongeren. Aanvankelijk waren er ook weinig haltes (Zoutleeuw, Ordingen, Borgloon en Pringen), maar dat werd in 1897 aangevuld met haltes in Wilderen, Melveren, Bernissem, Hoepertingen, Kerniel en Jesseren) Daarom kreeg het bareelwachtershuisje uit 1878 in Wilderen in 1896 een heus station tegenover zich.

In de Eerste Wereldoorlog werkten de Duitsers aan de missing link Tongeren-Aken met viaduct in Sint-Martensvoeren.

In 1957 werd het personenvervoer op deze lijn 23 gestopt en vervangen door autobuslijnen. In 1968-1988 verdween ook het goederenvervoer voor lokale nijverheden. De sporen werden geleidelijk opgebroken tussen 1968 en 1989. In 1992 kwam er een toeristisch fietspad op het (deels) bewaard gebleven tracé.
Ordingen werd, weliswaar meer naar Zepperen toe, een draaischijf van goederen- en personenverkeer. En uiteraard kwam er de onvermijdelijke stationsherberg (1895). Het station maakte plaats voor de N718, bedoeld als oostelijke omleiding rond Sint-Truiden en aansluiting op de beruchte A24-autosnelweg., maar slechts uitgevoerd tussen Melveren en Ordingen.

Jammer genoeg waren spoorlijn en brug ook plaatsen van wanhoopsdaden en dramatische ongevallen. Zo ontdekten stationschef Miel Mommen en arbeider Lowieke Mertens in april 1943 'het lijk van een onbekende vrouwspersoon van ongeveer vijf- en twintig jaar'. De vrouw was ongelukkig op een betonnen seindraadpaaltje terechtgekomen bij haar ontsnappingssprong uit het Jodentransport XX vanuit de Dossinkazerne in Mechelen, gesaboteerd in Boortmeerbeek.

Nu is de spoorweg'zate' een verwilderde oase voor wild en vogels, hazelwormen, wijngaardslakken en dassen. Maar ook een magneet voor sluikstorters. Sommige delen van de spoorberm worden beheerd door natuurpunt omwille van de uitzonderlijke flora zoals knolsteenbreek, bosanemoon, slanke sleutelbloem, wilde marjolein, muskuskruid en brede wespenorchis.
