Suntup Egon Elchanan



Van Amsterdam naar Sint‑Truiden: de opkomst van een industrieel(e) carrière

Egon Elchanan Suntup, geboren op 15 oktober 1902 in Amsterdam, van joodse afkomst, verhuisde in 1932 naar Sint‑Truiden, nadat hij de overstap maakte van zijn scheikundige functie bij Supra in Nederland. Daar kocht hij een gloeilampenfabriek, eerste bekend als Stella, later Gloeilampenfabriek Elektron, en uiteindelijk Atlas-Bayram NV na 1941 (gis.limburg.be). Met zijn accountant Alfons Duchateau stond hij aan het hoofd van de fabriek, werkte samen met partners zoals Bustin, en zorgde voor aanzienlijke werkgelegenheid in de regio (gis.limburg.be).

In een brief vanuit Nederland vraagt Egon aan Duchateau om regelmatig de Atlas-fabriek te bezoeken “om te zien of alles goed verloopt”. Deze serene samenwerking verliep probleemloos, tot de fascistische maatregelen voor joden in november 1940 de fabriek – omschreven als ‘Judisches Unternehmen’ – doelwit maakten.


Economische repressie en verzet

In 1941 werd de bedrijfsvoering van Suntup beperkt door anti-joodse maatregelen. De nv Atlas-Bayram ontstond als antwoord op de situatie, maar Egon bleef nog even actief aan het roer staan. Op 12 april 1941 bevestigt een officiële brief van burgemeester Thenaers en secretaris zijn rol als “ingenieur en bedrijfsleider in de gloeilampenfabriek” .


Arrestatie en deportatie

Op 7 oktober 1942 werd de Feldgendarmerie gewelddadig binnen in Suntups fabriek. Volgens getuigen, waaronder zusters Rachelle en Maria Stippelmans, werd er zelfs een deur ingetrapt en zou Egon mogelijk geprobeerd hebben zich te verstoppen (gis.limburg.be).

Hij werd overgebracht naar Fort Breendonk en op 10 oktober 1942 gedeporteerd met transport XIII/314 via Kazerne Dossin Mechelen naar Auschwitz, aankomst 12 oktober 1942. Van daar rekent men zijn overlijden in het vernietigingskamp. Hij werd 39 jaar oud (joodsmonument.nl).


Een laatste boodschap?

Nalatenschappen vertellen dat Egon tijdens zijn transport ter hoogte van Sint‑Truiden een kaartje uit de trein gooide, met een serene toon beschreven in het “Gulden Boek der slachtoffers van de oorlog 1940–1945”. Onderwijzer Frans Smets vermeldde het verhaal zonder bron — een raadselachtig laatste gebaar (gis.limburg.be).


Onderschrift bij deze foto

Herdenking & controverse


🧩 Samenvattende tijdlijn

JaarGebeurtenis
1902Geboren in Amsterdam
1932Vestiging in Sint‑Truiden; overname gloeilampenfabriek
1940Registratie in Jodenregister; fabriek onder druk
1941Vorming nv Atlas-Bayram; Egon nog actief
7 okt 1942Gewelddadige arrestatie in fabriek
10 okt 1942Deportatie met transport XIII/314
12 okt 1942Aankomst Auschwitz (vermoedelijk overlijdensdatum)
2012Struikelsteen geplaatst

\


Belangrijk historisch en menselijk belang

Egon Suntup staat symbool voor het lot van talloze joodse industriëlen die tijdens WOII in België werden ontworteld. Zijn verhaal combineert ondernemerslust, discriminerende nazimachine, persoonlijke moed en tragiek in een lokale context — versterkt door getuigenissen én decennialange familiecontroverse.


Afsluitende reflectie



ONTDEKKING VAN DE DAG

Goyens, "Maternus" Guillaume Modest, minderbroeder

Sint-Truiden 29.10.1848 Gent 08.12.1905 

Zoon van graanhandelaar Arnold en Marie Clementine Vandereycken. Broer van minderbroeder ‘Hiëronymus’. 

Minderbroeder Tielt 1868, priester  1874. Gardiaan Sint-Truiden 1877-1878. Vicaris Rekem 1880-1883, Gent 1886-1892. Gardiaan Antwerpen 1895-1896. Vicaris Gent 1902-1905. Daar overleden bloedopdrang. Artikels in Le messager de Saint-François en De bode van den H. Franciscus van Assisië. Devotieboekjes o.a. over de H. Antonius van Padua, handboekje voor dienstmeiden en enkele historische werkjes o.a. over Grauwzusters. Bijnaam ‘de Paus’ binnen familie.

Publ.: De deugdzame dienstmeid in hare plichten onderwezen, Mechelen: Sint-Franciscusdrukkerij, 1901.
Lit.: Le Messager de Saint-François d’Assise, 31, 1905, p. 256-257; BERLO, p. 363, 369, 467 en 473; VAN MECHELEN, p. C15; JORISSEN; Lucianus CEYSSENS, Jeroom Goyens, onze eerste provincie-archivaris (1864-1942), in Franciscana, 50, 1995, p. 7.