Naar aanleiding van verbouwingswerken aan het oude stadhuis te Sint-Truiden voerde ARON bvba in opdracht van de stad Sint-Truiden een archeologische opgraving uit in de kelders onder de hal van het stadhuis. Deze kelders, die omstreeks het einde van de 19de eeuw of het begin van de 20ste eeuw met bouwpuin waren volgestort, zouden in kader van deze verbouwingswerken immers opnieuw in gebruik genomen worden.


Het archeologisch onderzoek leverde in totaal 63 archeologische sporen op. De sporen omvatten drie oventjes, een gracht, een greppel, een 24-tal (paal)kuilen, een waterput en twee bakstenen putjes.
Verspreid over de sporen werden in totaal 810 archeologische vondsten aangetroffen. De grootste groep wordt gevormd door het organisch materiaal met het dierlijk bot (319 stuks) voorop, gevolgd door het aardewerk (293 stuks), de fragmenten natuursteen (27 stuks), metaal (9 stuks) en glas (6 stuks).
Ook werden 21 slakken ingezameld evenals meerdere fragmenten kalkmortel, verbrande leem en baksteen.



Een aantal van de aangetroffen sporen kunnen vóór de bouw van de hal (1366) gedateerd worden. Hieronder bevinden zich de greppel en gracht die mogelijk met de “Zouw” in verband gebracht kunnen worden. De Zouw is een gracht die oorspronkelijk de scheiding tussen het abtelijk en prins-bisschoppelijk domein vormde.
Enkele sporen leverden vondsten op die gedateerd kunnen worden in de vroege en volle Middeleeuwen (periode vanaf 850 n. Chr.).


De drie aangetroffen ovens lijken van een iets latere datum te zijn: het aardewerk dat met deze ovens gerelateerd kan worden dateert namelijk ten vroegste van in de 13de - 14de eeuw n. Chr.
Andere sporen kunnen in verband gebracht worden met de inrichting van de ruimtes als kelder. Bijvoorbeeld de aangetroffen kolenlaag, de bakstenen putjes, de dwarse keldermuren, de bakstenen muur en de bakstenen constructie.
Wanneer deze kelders werden ingericht is niet geheel duidelijk. Aan de hand van de gebruikte bouwmaterialen (baksteen en mergel) lijken de keldermuren te dateren uit de 17de of de 18de eeuw. Tijdens deze periode werden meerdere ingrijpende aanpassings- en renovatiewerken aan het stadhuis uitgevoerd.
Ter hoogte van het stadhuis is het grondniveau in het verleden opgehoogd geweest, waardoor het vroeg- en volle middeleeuwse archeologisch erfgoed op deze locatie zo goed bewaard is gebleven.

In Melveren , een gehucht van Sint-Truiden, woonde een zekere X. Op zekere dag ging X met zijn vriendin naar de kermis in Kortenbos. Deze man had echter een pact gesloten met de duivel, wat betekende dat hij regelmatig enkele uren als weerwolf moest rondlopen. Omdat X op de kermis plots voelde dat dat moment was aangebroken, zei hij tegen zijn vriendin: "Als je een hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil. Op die manier zal het beest je geen kwaad doen."
Omdat een weerwolf geen kruis kan oversteken, moet hij de draadjes van de zakdoek één voor één uitrafelen vooraleer hij verder kan.
Het meisje antwoordde: "Neen, blijf maar bij mij!", waarop haar vriend: "Neen, ik moet dringend even een boodschap doen."
Toen X weg was, kwam er een lelijke zwarte hond naar het meisje toe. Ze deed onmiddellijk wat haar vriend had gezegd, waarop de hond de zakdoek in stukken scheurde. Een kwartier later kwam X terug. Zijn vriendin vertelde hem dat ze doodsangsten had uitgestaan terwijl hij weg was. Wat verderop ging het tweetal iets drinken in een café. Het meisje bekeek haar vriend eens goed, en riep geschokt: "Jij smeerlap, je bent het zelf geweest, want de vezels van de zakdoek hangen nog tussen je tanden!"
X zei dat ze het zich maar inbeeldde, maar het meisje wilde hem toch nooit meer zien.
Opgetekend door F. Beckers in 1947.
Bron: volksverhalenbank.be