Europa kwam verarmd uit de zelfmoordpoging van de Eerste Wereldoorlog 1814-1918. De 19de-eeuwse Britse supermacht en diverse keizerrijken maakten plaats voor de opkomende Verenigde Staten. De loutering na een jarenlange, bloedige uitputtingsoorlog bracht aanvankelijk meer democratie door uitbreiding van stemrecht, onder meer voor vrouwen. Maar de angst voor het communisme bij de bezittende klasse, het revanchisme van de vernederde Duitsers en de Amerikaanse beurscrash verleidden vele mensen naar Nieuwe Orde-bewegingen. De hele maatschappij werd er idealiter ingezet voor een volksnatie onder leiding van een alleenheerser voor het leven, omringd door een kliek van partijgenoten. Ook veel Vlamingen, soms gebroodroofd als activist en medewerker van de bezetter in de Eerste oorlog, zagen heil in linkse of rechtse uitersten, vaak gesponsord door hun grote buitenlandse voorbeelden. In Italië en Duitsland boekten rechtse, autoritaire partijen succes. Maar eens verkozen roeide Hitler in Duitsland genadeloos politieke tegenstanders, Joodse mensen, gehandicapten en zigeuners uit. Zijn militaire successen vanaf 1939 tegen Polen, Nederland, België, Frankrijk en aanvankelijk tegen Rusland brachten een ware verafgoding. In België werden bestuur, uurwerk, industrie en landbouw volgens Duits model ingevoerd. De verslagen Vlaamse soldaten kregen een voorkeursbehandeling. Maar de verontwaardiging over een buitenlandse bezetter en arrogante, opportunistische collaborerende landgenoten deed ook in Sint-Truiden kiemen van verzet groeien. Niet het gewapende, saboterende verzet zoals in de industriestad Luik, maar een stille werking door leuzen kalken, geallieerde piloten en onderduikers helpen en inlichtingen verzamelen. Dat laatste was door de nabije Duitse Nachtjagersbasis van groot belang. De ideologisch erg diverse ‘weerstand’ groeide naarmate nieuws over Duitse nederlagen doorsijpelde en de oorlogsinspanning ook verplichte arbeiders in Duitsland eiste en dus onderduiking meebracht. De vooroorlogse bewegingen zoals Rex en VNV kwamen volop in nationaal-socialistisch vaarwater en moesten hand- en spandiensten leveren voor het Duizendjarige Rijk van Hitler. Zeker na de recrutering van Vlaamse legionnairs voor het kwakkelende Duitse Oostfront en de zwart (collaboratie)-wit(weerstand) burgeroorlog met wederzijdse liquidaties in de maanden voor de bevrijding in september 1944. In Sint-Truiden schakelden de Duitse inlichtingsdiensten lokale vertrouwensmannen in, die anti-Duitse voormannen en hun helpers uit de weerstand verklikten. In mei 1943 was er een grote razzia waarbij een zestigtal jongemannen via Breendonk verdwenen naar Duitse kampen. Tien van hen keerden nooit weer. Daarnaast waren al een reeks individuele stadsgenoten opgepakt en gefusilleerd, of naar de kampen afgevoerd. De haat tegen de vluchtende Duitsers en hun medewerkende Belgen explodeerde tijdens de Bevrijdingsdagen en bij de terugkeer van overlevende stadsgenoten uit de concentratiekampen.
De ‘Expositie’ in 1907 was hét supermoment voor Sint-Truiden. Sinds 1860 had het de eerste plaats in Limburg moeten afgeven aan Hasselt. Maar de provinciegouverneur kwam uit Sint-Truiden en een ambitieus team wilde hier de Luikse tentoonstelling van 1905 overdoen.

In 1907 volgde Sint-Truiden het Luikse voorbeeld van 1905 en hield een provinciale tentoonstelling op een lange strook van de braakterreinen bij het spoorwegstation tot en met het stadspark. Een brug leidde de bezoekers over de Diestersteenweg. De volkswijk De Hel had plaats gemaakt voor het ‘klein stadspark’. Bij de paviljoenen vielen vooral het Paleis de Mijnen en het bouwsel van de steenkoolmijnen van Dahlbush op. De steengroeven van de Ourthe lieten een gedenkzuil oprichten en de oude Parkschool herbergde veilig de tentoonstelling van Oude Kunst.
Een stadsgenoot, baron Henri de Pitteurs-Hiegaerts was sinds 1894 provinciegouverneur en in augustus 1901 werd in Limburg steenkool ontdekt, waar dezelfde familie belangen had. Dokterszoon en bankier Leon Debruyn nam het voortouw. Zijn zwager was notaris Nagels. Ook de ondernemers Baltus, koloniale waren, en Claes-Lekens, bouwpromotor, waren ambitieus. Het organisatiecomité bood een model arbeiderswoning aan het Bureel van Weldadigheid (OCMW), die nog steeds bestaat in de Spoorwegstraat.

Op 28 juli 1907 kon de breedgebaarde, al oudere koning Leopold II met zijn dochter prinses Clémentine vanop de tribune de trekpaarden van Clément Peten uit Velm bewonderen. Ook prins Albert bezocht de tentoonstelling. Op 22 december was het hoogfeest van de belle époque en van de durvende ondernemers in Sint-Truiden voorbij. Meer dan een half miljoen bezoekers en ‘speelreizigers’ – de toenmalige benaming voor toeristen - bezochten expo en stad. De bebouwing in de al geplande nieuwe stationswijk kon starten. Van de expo restte later enkel nog de prestigieuze Prins-Albertlaan en de Expositiestraat, in 1930 vervangen door ‘Astrid’straat. Een gedenksteen staat ingemetseld in een hekpaviljoen van het stadspark.
Van deze ‘wereldtentoonstelling’ voor de Truienaar bleven talrijke prentbriefkaarten en een pas in 1910 rijkelijk uitgegeven ‘Guldenboek’ bewaard. Uitzonderlijk ook persoonlijke toegangskaarten met portretfoto.
