stolperstein gildestraat 6 Sint-truiden

Egide Leon Jos. Magis, geboren in Ans op 21 april 1918, woonde in de Gildestraat 6. Hij was ongehuwd. Tijdens de mobilisatie van 1940 vervulde hij zijn militaire dienst en maakte hij de Achttiendaagse Veldtocht mee. Kort na zijn terugkeer sloot hij zich vastberaden aan bij het verzet.
Omdat hij actief was binnen de Nationale Koninklijke Beweging (N.K.B.) en A.S., werd hij – net als vele anderen – op 25 mei 1943 verraden en gearresteerd. Egide werd naar Breendonk overgebracht, waar hij de meedogenloze leefomstandigheden en mishandelingen van dit beruchte kamp onderging. Daarna volgde hij de deportatieroute naar Esterwegen, vervolgens via Borgermoor naar Gross‑Strelitz.
De ontberingen, dwangarbeid en folteringen bleven zich opstapelen. Ten slotte kwam Egide uitgeput, verzwakt en lichamelijk gebroken terecht in Flossenbürg, waar zijn krachten volledig uitgeput raakten. Hij bleef er lange tijd samen met zijn makker Verghyest, tot hij op 5 maart 1945 bezweek aan de gevolgen van de onmenselijke kampomstandigheden.
Zijn dood was gruwelijk, maar getuigt van uitzonderlijke moed: Egide Magis stierf omdat hij opkwam voor zijn medemens. Dergelijke helden blijven voortleven in ons collectieve geheugen.
Breendonk was tijdens de Duitse bezetting een Nazi‑Auffanglager waar politieke gevangenen en verzetslieden onder extreem geweld, dwangarbeid en systematische mishandeling werden vastgehouden. Het kamp gold als een van de wreedste plaatsen in België. [belgiumwwii.be], [emilevando...nmuseum.be]
Esterwegen en Borgermoor maakten deel uit van de Emslandlager, vroege Duitse concentratie- en strafkampen met zware dwangarbeid, nauwelijks voedsel en brute SS‑discipline. Ze werden berucht om hun combinatie van veenarbeid, mishandeling en dodelijke leefomstandigheden. [ebay.com], [nikkivanin...weebly.com]
Gross‑Strelitz functioneerde als dwangarbeids- en strafkamp binnen een netwerk van kampen in Opper‑Silezië. Gevangenen werden er uitgeput door langdurige arbeid, ondervoeding en gebrek aan medische zorg. [gedenkstae...erwegen.de]
Het concentratiekamp Flossenbürg was een Duits kamp waar gevangenen tot het uiterste werden gedreven via steengroeve‑arbeid, ontbering en structurele mishandeling. Duizenden kwamen er door uitputting en ziekte om. [data.arch.be]
De N.K.B. was een Belgische verzetsorganisatie (1940–1944), actief in vooral Vlaanderen en Brussel. Ze hield zich bezig met clandestiene pers, inlichtingen, hulp aan onderduikers, sabotage en steun aan geallieerde operaties. De beweging was koningsgezind en anti‑Duits. [pegasusarchive.org]
A.S. verwijst naar inlichtingen‑ en actiediensten binnen het Belgische verzet, gelinkt aan structuren van de Staatsveiligheid. Deze netwerken verzamelden militaire informatie, hielpen onderduikers en ondersteunden sabotage‑ en ontsnappingslijnen. [nl.wikipedia.org], [tracesofwar.nl]
De stad Mechelen groeide bij de Dijle en lag in de middeleeuwen dus op de vaarroute tussen Zoutleeuw en Antwerpen in het hertogdom Brabant. De abdij van Sint-Truiden had er ooit haar ambassade.
Het Groen Waterke, een vliet aan de Ankerbrug in de schaduw van de Sint-Romboutskathedraal, is het meest schilderachtige plekje van de stad om te fotograferen. Vlakbij liggen de vluchthuizen van belangrijke abdijen: Affligem, Tongerlo en Sint-Truiden. In de woelige 16de eeuw, toen protestanten in de Nederlanden rebelleerden, hielden de abdijen van het platteland graag een pied-à-terre binnen de veilige wallen van een stad. Die ‘refuge’ was ooit nuttig voor lobbywerk in vredestijd. Zeker in Mechelen, toen zowat de hoofdstad van de Nederlanden.
Ook in Sint-Truiden zochten abdijen en kloosters van de verre omgeving hun toevlucht. We kennen nu vooral nog de refuges van Averbode (Ursulinen) en Herkenrode (vroeger de ‘Broeders’ in de Schepen Dejonghstraat). Jozef Smeesters somt er in de catalogus ‘18de eeuw’ bij de Trudofeesten 1993 nog een hele reeks andere op. De refugie van de vrouwenabdij van Nonnemielen werd later legerkazerne en verdween voor het administratief centrum. De praktijk van zo’n vluchthuis vinden we bijvoorbeeld in het archief van de Zepperse begaarden. Die hadden hun toevluchtwoning in de Gangelofparochie. Ze verhuurden het in 1678 aan een edelman uit Aalst, met last om in oorlogstijd plaats te ruimen. De pachter van de kloosterhoeve kreeg in zijn contract de verplichting om in woelige tijden alle meubels naar Sint-Truiden te voeren. Hij kreeg daarvoor kost en drank. Ook het kloostergraan, waardevast kapitaal, werd altijd naar de zolder in de veilig omwalde stad gereden. Na het ontmantelen van de wallen en poorten in 1675 op bevel van de Franse zonnekoning lag het stadscentrum wel open en bloot.
De Truiense abt Joris Sarens was geboren in Mechelen in 1477. Zijn broer, kanunnik Willem, liet rond 1540 in zijn vaderstad een prachtig gebouw met traptorentje en drie vleugels rond een binnenplaats metselen. Een combinatie van roze baksteen met witte kalkzandsteen. Enkele jaren later erfden broer Joris en de abdij van Sint-Truiden het pand. In 1611 kwam het in louter Mechelse privéhanden. Een stoute Mechelse bron schrijft de verkoop toe aan het geldgebrek van onze abdij, geplaagd door de Opstand in de Nederlanden en Luik.
De ranke traptoren is alleen onderaan nuttig, de rest is pure pronk en status. Wel een boeiende, hoge uitkijkpost in een tijd toen de mensen niet vlogen. Je kan het best vergelijken met het Antwerps torentje in het stadskwartier te Bokrijk. Het beschermde gebouw, lange tijd archief van het aartsbisdom, is in 2000 op kosten van de provincie Antwerpen schitterend gerestaureerd. Het doet onder meer dienst als conferentieplek voor de Belgische bisschoppenraad. De Antwerpse deputatie gaf bij de restauratie een glossy brochure uit in 2000.
