Vóór 1900 waren er in Sint-Truiden een groot aantal brouwerijen. In de achttiende eeuw zouden er zelfs een vijfentwintigtal bestaan hebben. De meeste van deze bedrijfjes waren zeer kleinschalig en sommige brouwden maar één keer per week. Zij voorzagen de plaatselijke bevolking van een gezonde en voedzame drank. Bier was immers kiemvrij, daar het tijdens het brouwproces langdurig gekookt werd. Met water was dat zelden het geval, zeker niet in de tijd vóór de installatie van de waterleiding, toen men voor deze basisbehoefte was aangewezen op plaatselijke bronnen, waterputten en pompen. Het water zag er dan misschien wel helder uit, maar was door doorsijpeling van mest en andere vuiligheid soms bacterieel verontreinigd.
Tijdens het ancien régime, en ook nog daarna, genoten de brouwers veel aanzien in elke leefgemeenschap. Dat was ook in Sint-Truiden het geval. De voornaamste brouwers hadden veel inkomsten en als vooraanstaande belastingbetalers namen zij in de stad dikwijls belangrijke functies waar. Zo was Bartholomeus Joannes WALTER (1761 – 1833) een tijdlang burgemeester.
Aan de Beekstraat waren steeds de meeste brouwerijen gevestigd. Dat was niet zozeer omdat water uit de Cicindria ter beschikking was – want daarin kwam er ook toen al ondanks alle verbodsbepalingen en reglementen vuil terecht – maar vooral omdat er langsheen de beek een aantal bronnen ontsprongen waarvan het water zuiverder en in voldoende mate voorradig was.
In de stad bevonden zich eveneens mouterijen. Zij voorzagen de plaatselijke brouwers van de nodige mout (geroosterde graankiemen) voor het brouwen. In 1991 werd er aan de Beekstraat nog een moutvloer uit lang vervlogen tijden teruggevonden. Enkele van deze tegels zijn nog te bezichtigen in het openluchtmuseum te Bokrijk. Deze grote vierkante tegels zijn geperforeerd. Door de perforaties deed men hete lucht stromen. Het was de hete rooklucht van het vuur zelf die door de moutvloer geblazen werd. Destijds stookte men dus rechtstreeks. De mout kreeg op die manier een gerookte smaak, hetgeen uiteraard het karakter van het bier sterk mee bepaalde. Het Sint-Truidense bier zal dan wel een zeer specifieke smaak gehad hebben. Het Duitse Rauchbier is een nog levend voorbeeld van dit bijna verdwenen biertype.
Tot na de eerste wereldoorlog gebruikten de brouwers voor de schuimvorming knoken en beenderen uit het slachtafval. Deze werden meegekookt met het bier. De vrijgekomen lijmerige substantie (beenderlijm) zorgde achteraf voor het nodige schuim. Geen knoken, geen schuim, zo simpel was het. Men kreeg dan een “plat” bier zoals de Lambiek.

De meeste “kleine” brouwers oefenden dit beroep slechts als bijverdienste uit en waren in hoofdberoep handelaar of herbergier of slager.
Er waren ook enkele kloosters en instellingen die zelf hun bier brouwden. Dat was zeker het geval voor Ziekeren, de Minderbroeders, het seminarie en het hospitaal. In de bevolkingsregisters kan men de brouwers opzoeken, maar de pater-brouwer van een klooster kan men daar niet als dusdanig in terugvinden. De leden van een kloostergemeenschap staan wel opgesomd, maar zonder vermelding van hun specifieke taak. Er zijn nochtans enkele bronnen die ons de namen vermelden van zowel de geestelijke als de wereldlijke brouwers. Eerst en vooral zijn er de brouwerij-jaarboeken die sedert 1892 werden uitgegeven en die praktisch alle Belgische brouwerijen vermelden. Vervolgens zijn er de “Annuaires de Commerce” die sedert 1870 verschenen en tenslotte de jaarboeken van de voedingsnijverheid. Deze bronnen samen geven een goed beeld van de grote en kleine brouwerijen in elke streek.
De “Annuaire de Commerce” vermeldt volgende brouwerijen voor Sint-Truiden: In 1870: Weduwe Coemans, weduwe Finoelst, Joseph Hendrickx, C. Hoebanx, de gebroeders Lenaerts, R. Lux, H. Nelissen, J. Roselle, J. Schouberechts, G. Smets, A. Sproelants, F. Vandenhove, M. Vanhaeken, E. Van Oorbeek.

In 1900: Arthur Foucart, J. Hendrickx, J. Hoebanx, Weduwe G. Lenaerts, Gebrs. Lux, Victor Meurice, Charles Peeters, R. Pirson, E. Poelmans, Schouberechts Emmanuel, L. Van den Hove. In 1913: J. Eerdekens, Hubert Martens, Wwe. Meurice en zoon, C. Peeters, Wwe. Poelmans, E. Schouberechts, J. Stevens, L. Van den Hove. In 1931: Hubert Martens, Jos. Meurice, Wwe. Poelmans, E. Schouberechts, Vannerum en Proot.
Volgens de brouwerij-jaarboeken (sedert 1892) krijgen we volgend overzicht, waarbij we de opvolging binnen eenzelfde brouwerij onder eenzelfde nummer hebben geplaatst:
Roebben et Cie., Brasserie Saint-Antoine 1907-1909 Louis Wellens, Brasserie Saint-Antoine 1909-1911 14. Etienne Poelmans, Beekstraat 54 1899-1911 Etienne Poelmans Wwe., Brasserie Saint-Trond 1912-1925 R. Poelmans-Kemerlinckx 1926-1932 15. J. Schouberechts, Beekstraat 20 vóór 1892-1895 Emmanuel Schouberechts 1896-1930 16. F. Van den Hove, Nieuwe Steenwegstraat 50 vóór 1892-1895 F. Van den Hove Wwe. 1896-1907 Louis Van den Hove – Nouwen 1908-1923
De belangrijkheid van een brouwerij kan men meten aan het totale gewicht van de gebruikte mout. Aan de hand van een lijst die de Duitse bezetter in 1914 opstelde, kunnen we vaststellen welke brouwerijen de grootste omzet en produktie hadden. Volgende lijst vermeldt voor elke brouwerij het aantal ton gestorte mout tijdens het jaar 1913.
Uit deze lijst blijkt eveneens dat er juist vóór de eerste wereldoorlog nog een twaalftal brouwerijen actief waren. In 1930 waren er nog maar zeven en na de tweede wereldoorlog nog slechts twee: Joseph Meurice NV en de Sint-Trudobrouwerij (Vannerum en Proot). Beiden stopten met brouwen in 1962.
Een beknopt overzicht van de belangrijkste brouwerijen
Van de oudste brouwerijen is de juiste stichtingsdatum onbekend. Zo kunnen we uit de eerste “Annuaire de Brasserie” van 1892 enkel vaststellen dat een aantal brouwerijen toen al bestonden, maar niet sedert wanneer. Het is ook dikwijls moeilijk of niet uit te maken of iemand die als brouwer werd aangeduid inderdaad nog zelf brouwde. Het kwam nogal vaak voor dat een brouwer stopte en enkel als bierhandelaar actief bleef, of depothouder werd van de een of andere brouwerij. Hij bleef dan toch nog verder als brouwer aangeduid. Dit is thans nog steeds het geval voor de brouwerij Meurice. De verschillende Sint-Truidense brouwerijen hadden of kregen banden met elkaar door huwelijken binnen de eigen beroepsgroep, soms met brouwerszonen of -dochters van buiten de stad. Dat was bijvoorbeeld het geval met Meurice-Vannerum,

Vannerum en Proot en Foucart. Een van de brouwerszonen trok zelfs naar Wallonië. Een zoon van Victor Meurice nam te Thorembais-Saint-Trond een brouwerij-mouterij over van de familie Muraille en was daarin actief tot in 1956.

De Broeders van Liefde hadden van 1913 tot 1925 hun eigen brouwerij. Ook de Minderbroeders hadden een brouwerij in hun klooster. Mijn moeder herinnerde zich nog zeer goed de typische geur die er in een gedeelte van de Capucinessenstraat hing op de dagen dat er gebrouwen werd. Tijdens de tweede wereldoorlog werd de klooster-brouwerij vernield door brand ingevolge bominslag. De brouwketels werden daarna verwijderd en verkocht aan de Sint-Trudo’s brouwerij (Vannerum en Proot).
Een opmerkelijke figuur was brouwingenieur Arthur Foucart. Hij startte in 1899 op de hoek van de Beekstraat en de Stapelstraat een brouwerij die hij reeds in 1904 verkocht aan Joseph Stevens, die daar zou blijven verder brouwen tot aan de eerste wereldoorlog. Deze zaak heette Brasserie Saint-Martin. Men brouwde er blond en bruin bier. Het prestige-bier van deze brouwerij heette Bière La Couronne. Arthur Foucart zou later aandeelhouder worden in de NV Brouwerij van Alken. Hij zou ook nog jarenlang vertegenwoordiger zijn in suikers voor brouwerijdoeleinden, in dienst van de Tiense Suikerfabrieken.
Een tweede brouwerij aan de Beekstraat, deze van Victor Meurice, werd later de grootste van de stad qua omzet. Van deze brouwerij bestaan nog enkele oude flessen met de afbeelding van een feniks naar de naam van het bier, Phenix. Deze benaming zou tot na 1920 worden gebruikt. Toen Victor Meurice in 1909 overleed, werd de zaak door zijn zoon Leon voortgezet.
Tijdens de oorlog 1914-1918 moest de zoon, brouwmeester Joseph, naar Duitsland vertrekken en zat de brouwerij zonder brouwer. Zijn moeder bleef niet bij de pakken zitten en contacteerde de pater-brouwer van het seminarie om de brouwerij draaiende te houden. Na de eerste wereldoorlog verhuisde de hele zaak naar de Spoorwegstraat, op de plaats waar voorheen de brouwerij Lenaerts gevestigd was. Men zou daar verder brouwen tot in 1962. Daarna werd het bier voor Meurice gebrouwen in brouwerij De Es in Schalkhoven, maar ook slechts tot midden de jaren zestig. De brouwerij Meurice werd toen een depot en bevindt zich al geruime tijd op het industriepark van Schurhovenveld. De oorspronkelijke gebouwen in de Spoorwegstraat, waar de blonde en bruine tafelbieren werden gebrouwen en waar de JIM-limonades werden gefabriceerd, bestaan nog altijd, maar zullen binnenkort worden omgebouwd tot sociale appartementen. In de Beekstraat bestaan er nog gebouwen van de eerste Meurice-brouwerij, geïntegreerd in de Horecazaak “Cirque Central” (voorheen “De Kruik”).
De brouwerij Schouberechts bevond zich eveneens in de Beekstraat. Emmanuel Schouberechts leidde ze tot in 1930. Hij brouwde de bieren Knoep en Stoep, blond, bruin en dobbel bier. Hij hield ook depot van Engelse en Duitse bieren en mineraalwaters.
Een vierde brouwerij in de Beekstraat was deze van René Poelmans-Kemerlinckx. Ook hij brouwde blonde en bruine tafelbieren, maar ook Cherry Beer (te vergelijken met morellen- of kriekenbier). Poelmans maakte ook limonade en spuitwater onder de merknaam “Sint-Trudo’s bronnen”. Deze brouwerij, Brasserie Saint-Trond genaamd, werd opgestart in 1899 en hield in 1932 op.
Nog een brouwerij langs de Cicindria was de Brasserie Saint-Antoine, gelegen onderaan de Sluisberg, in het gedeelte van de Beekstraat dat thans Ursulinenstraat heet. Deze zaak werd in 1899 opgestart door Hendrik Pirson-Roebben, een brouwer uit Opheylissem (thans Hélécine) in Zuid-Oost Brabant (ten zuiden van Hoegaarden). Deze brouwerij zou daarna, via de familie Stevens, in handen komen van Louis Wellens, die er tot aan de eerste wereldoorlog actief zou zijn. Hij brouwde er Orge (tarwebier), Blonde, Brune en Double.
Van de brouwerij Vandenhove is er geen enkel tastbaar bewijs meer overgebleven, tenzij een paar handelsdocumenten met een mooie afbeelding van de brouwerij aan de Nieuwe Steenweg (nu Breendonkstraat). Dit briefhoofd is een steendruk, door Georges Van West ontworpen en afgedrukt.
Hubert Martens werd door de plaatselijke bevolking “Nach(t)bèèr” genoemd omdat hij meestal ’s nachts zijn activiteiten uitoefende. De brouwerij van Hubert Martens was gelegen op het Sint-Gangulfusplein. De gebouwen zijn nu verdwenen.
De brouwerij Sint-Trudo, eigendom van Vannerum en Proot, was gelegen aan de Spaanse Brug. Zij werd in de tweede helft van de 19de eeuw opgestart door François Pennings en na de eerste wereldoorlog verdergezet door Arthur Postelmans. Vanaf 1924 werd daar een depot uitgebaat door de families Meurice en Vannerum, tevens depothouders in de Diesterstraat. Charles Vannerum, een brouwerszoon uit een nabijgelegen Brabants dorp, zou samen met een brouwerszoon uit het Westvlaamse Leisele, een zekere Proot, de kans te baat nemen om in 1935 een brouwerij te beginnen onder de benaming Etablissements Vannerum et Proot, Brasserie Saint-Trudon, nieuwgebouwd aan de Tiensesteenweg. Zij produceerden tafelbieren en limonades.
In 1957, nadat de zaak door notaris Vreven èn door de brouwerij Lamot werd overgenomen, vingen zij aan met het brouwen van een speciaal amber bier, de Speciale Vrela. Rond dit prestigebier voerden zij een heuse reclamecampagne, maar in die periode sloegen de speciale bieren niet aan, de pils veroverde bijna de hele biermarkt. De grote pilsbrouwerijen kochten trouwens al geruime tijd de kleinere brouwerijen op. In 1962 besloot men met brouwen te stoppen. De tafelbieren zouden, juist zoals voor Meurice, nog enkele jaren door De Es in Schalkhoven worden verder gebrouwen, maar dit stopte dus midden de jaren zestig. De teloorgang van de Sint-Truidense brouwnijverheid was toen een feit.

Naast de vele brouwerijen waren er in de stad ook nog een aantal bierhandelaars, waarbij er enkelen waren die zelf limonade maakten. Mooie beugelflessen en knikkerflessen herinneren ons nog aan deze vervlogen glorie. Als bierhandelaars en/of limonademakers kunnen we de volgende personen vernoemen:
Deze lijst is uiteraard niet volledig. Meer informatie is steeds welkom.

In een personeelsblad van de Brouwerij van Alken, uit de vijftiger jaren, vonden we een eerste gedeelte van de historiek van het depot Plingers in de Ridderstraat. Het tweede deel van deze historiek is spijtig genoeg nooit verschenen. Hier volgt de (tamelijk lyrische) tekst:
Sint-Truiden, fruitstad, stad van toerisme, centrum van een rijke Haspengouwse landstreek, met haar krans van bloeiende welige boomgaarden en golvende tarwe- en bietenvelden, met haar enig grote markt, die alle zaterdagen van in de vroege morgen een bonte wemeling vormt van kramen, karren en vrachtwagens, drukdoende kooplieden, bezadigde boeren, zwaar beladen boerinnen en loeiend vee en die op zomernamiddagen de trekpleister blijft voor voortbrengers en opkopers van fruit. Sint-Truiden kent sinds vele jaren een bloeiende handel en talrijke kleine en middelgrote bedrijven werden er gevestigd.
De Truienaar is een geboren commerçant. Hij weet hoe men geld moet verdienen, maar ook hoe men het kan laten rollen. Gaarne beklinkt hij een slag of een koop met een “bak” of met een schuimende pint gerstenat.
De rijkdom van stad en streek en de welstand en de jovialiteit van de bewoners vormen ongetwijfeld uitstekende voorwaarden voor de brouwerijnijverheid.Het is bijna zeker dat er in vroeger eeuwen te Sint-Truiden bier werd gebrouwen. We hebben het niet opgezocht in oude documenten, maar het lijdt geen twijfel dat de monniken van de oude abdij aan de vermoeide pelgrims reeds een pot bier als verkwikking aanboden. Verschillende thans nog bekende namen zijn aan de brouwerijnijverheid verbonden. Wij noemen Fenoels, Poelmans, Schoubrechts, Vannerum, Meurice, Genard, Proot. Op dit ogenblik wordt er trouwens te Sint-Truiden nog bier gebrouwen.
Men zal allicht begrijpen dat de heer Boes, die met plannen rondliep van een moderne nijverheidsbrouwerij, heel goed wist dat hier een dankbaar afzetgebied openlag. Nog eer de N.V. Brouwerij van Alken geboren was, voerde hij er de bekende en gegeerde “Special” van Alken in. Dit lekker bier viel al dadelijk in de smaak en de “Capucienenbaard”, een afspanning gelegen in de Brustemstraat en die uitgebaat werd door de familie Vanstraelen, veroverde er een flink cliënteel mede.
Er moest echter te Sint-Truiden iemand gevonden worden, die een depot kon besturen en die ter plaatse invloed en kennissen had. Die gelegenheid deed zich een beetje onverwacht voor. In de nazomer van 1923 likwideerde de uitbater van een constructieatelier zijn zaak en mijnheer Boes bood zich bij hem aan om allerhande bruikbaar materiaal op te kopen. Het bleef echter niet bij die aankoop, want de bestuurder van de Brouwerij van Alken vond de eigendom van de heer Mathieu Plingers, gelegen in de Ridderstraat tussen de kazerne van de Rijkswacht en de grote kerk, in ’t centrum der stad, voorzien van een grote inrijpoort, met stallen, magazijnen en een grote koer, uiterst geschikt voor een brouwerijdepot. En de Heer Plingers kreeg al dadelijk het voorstel om als bestuurder te fungeren van een afdeling der Brouwerij van Alken. De zaak werd gewikt en gewogen en op 19 november 1923 volgde een brief met toestemming van de heer Boes. Toen liet de Heer Plingers er geen gras meer over groeien, ten bewijze waarvan wij een citaat aanhalen uit een brief van hem, die dateert van 3 december 1923: “Terzelfdertijd durf ik zo vrij te zijn u te vragen of het niet goed ware reeds van nu af aan reklaam in de dagbladen te maken wegens het depot. Tot nu toe heb ik reeds eenige kalanten weten aan te werven tusschen kennissen en vrienden, maar zou het niet verkieslijker zijn ernstig, krachtdadig en zonder twijfel de zaken aan te vatten, ten einde zoo haast mogelijk eenen goeden uitslag te bekomen?” Dit schrijven typeert de vroegere bestuurder van ons depot te Sint-Truiden, die nu reeds verschillende dagen geniet van een rustige oude dag: doordrijvend, stipt en correct. Zo hebben onze bestuur-ders en onze voerlieden hem steeds gekend en gewaardeerd. Daarom brengen wij hem hier ook gaarne een eregroet.De eerste voerman die naar het depot Sint-Truiden trok, was Gaston Vanvoorden, met de platte kar was het, zo vertelde hij ons, geladen met een tachtig bakken. En sindsdien is Gaston nog dikwijls naar Sint-Truiden gevaren, in de zomer soms in de vroege morgen weg en in de late avond terug.
Vanaf 1 januari 1924 zouden te Sint-Truiden de gunstig bekende producten der Brouwerij van Alken te bekomen zijn. Zo werd het in de pers en met strooibriefjes aangekondigd. Er was natuurlijk ook een prijslijst bij die wij u hier voor de aardigheid opnieuw publiceren: BLOND aan fr. 4,50 de bak van 12 3/4 flesschen BRUIN aan fr. 6,50 de bak van 12 Literflesschen SPECIAL aan fr. 7,50 de bak van 24 1/3 flesschen SCOTCH op vat een extra krachtbier aan 0,75 fr. De Liter
In ’t begin werd het bier afgetrokken te Alken en naar Sint-Truiden gebracht. Weldra werd er echter te Sint-Truiden personeel aangeworven om spoel- en aftrekinrichting te bedienen. De eerste spoel- en aftrekmachine waren gauw te klein en ze werden vervangen door een groter en er kwam nog een tweede bij.
In 1928 kwam de Heer Odilon Plingers, zoon van de bestuurder te Sint-Truiden naar Alken om er stage te doen en na een paar jaren ging hij vader in zijn taak te Sint-Truiden bijstaan.
Tot hier het artikel over het depot Plingers van de Brouwerij van Alken.

Tot vóór de tweede wereldoorlog moesten de klanten aan de brouwers en limonademakers niet voor het leeggoed betalen. Dit bleef zogenaamd eigendom van de brouwer die erop vermeld stond. Dit had tot gevolg dat een aantal bierhandelaars dankbaar gebruik maakten van de flessen van hun collega’s. Daarenboven gebruikte de bevolking ook courant allerlei beugelflessen om er diverse vloeistoffen in te bewaren, zowel giftige als niet-giftige. Bepaalde drogisterijen en andere handelaars verkochten zelfs olie, azijn, terpentijn, ammoniak, petroleum en carboline in bierflessen. Dit was voor de brouwers een dure èn gevaarlijke toestand. Zij moesten ten eerste veel geld investeren in leeggoed, zowel bakken als flessen. Ten tweede konden zij bepaalde produkten niet volledig uit de flessen verwijderen, zodat zij regelmatig hadden af te rekenen met klachten van de klanten. Ten derde bleek het flessenspoelwater telkens weer onbruikbaar te zijn na het spoelen van flessen waarin resten van petroleum of carboline aanwezig waren.
Daarom besloten de Sint-Truidense brouwers Schouberechts, Meurice, Bartholeyns, samen met Clerinx uit Kerkom, Boes uit Alken en Hayen uit Ulbeek om een flessensyndicaat op te richten. Deze vereniging zette zich in om allerhande leeggoed te verzamelen en het terug te bezorgen aan de rechtmatige eigenaars. Zij hielden voor het opslaan van de lege flessen een depot te Sint-Truiden.

De brief die Schouberechts aan alle brouwers had rondgestuurd ter begeleiding van de statuten van het pas opgerichte “flessensyndicaat” :
Saint-Trond, le 4 mai 1903.
Monsieur,
Nous avons le plaisir de vous adresser les Statuts du Syndicat des brasseurs et marchands de bière en bouteilles de la province du Limbourg et communes environnantes, fondé le 4 mai 1903. Existant dans tous les pays et dans les grands centres de la Belgique, ces syndicats ont donné les meilleurs résultats. Dans l’espoir de recevoir votre adhésion, veuillez agréer, M... , nos salutations empressées.
Le comité provisoire et fondateurs : le président, A. Hayen, brasseur, Ulbeek, le secrétaire-trésorier, Em. Schouberechts, brasseur, Saint-Trond; Commissaires: Meurice, brasseur, Saint-Trond, Bartholeyns, brasseur, Saint-Trond, Boes, brasseur, Alken, Clerinx, brasseur, Kerkom.
Wij geven u hier in vertaling de verplichtingen van de gesyndiceerde brouwers, zoals die onder titel VII van de bijgevoegde statuten vermeld staan :
Titel VII Onderlinge verplichtingen van de gesyndiceerden
Art. 21 - Het is aan de leden verboden flessen te vullen die het merk van een andere gesyndiceerde dragen. Zij verbinden er zich toe 1° om elkaar alle flessen terug te bezorgen die de firmanaam van een gesyndiceerde brouwer dragen, hetzij op de stop, hetzij op de fles; 2° om elkaar wederzijds erover in te lichten ingeval er flessen die aan een gesyndiceerde toebehoren, nog niet zouden zijn afgehaald of zich in vreemde handen zouden bevinden. Zij zullen in dat geval daarvoor speciale richtlijnen aan hun werklieden geven, en zelfs de schriftelijke toelating om die flessen mee te nemen. Elk lid dat in gebreke wordt bevonden, zal een boete van 50 centimes per fles moeten betalen.
Art. 22 – Het controleren van de voertuigen zal geschieden door ofwel een toezichthouder die daartoe wordt aangesteld, ofwel door de voermannen of de patroons onderling. De toezichthouders zullen ook overgaan tot het controleren van de rijtuigen en van de magazijnen. Zij zullen proces-verbaal opstellen met het doel juridische stappen te ondernemen : 1° tegen de gesyndiceerden in wiens magazijnen er meer dan 100 lege flessen met vreemd merk worden aangetroffen; 2° tegen de degenen in wiens voertuigen er volle flessen worden aangetroffen waarop er een ander merk dan het hunne vermeld staat.
Art. 23 – Indien een gesyndiceerde flessen van een andere gesyndiceerde in zijn bezit krijgt, zal hij ertoe gehouden zijn deze daarvan te verwittigen; daartoe zullen er voorgedrukte kaarten met één centiem frankering onder de leden verdeeld worden.
Art. 24 – Alle gesyndiceerden zullen zorgen voor een streng en volgehouden toezicht op de brouwers en bierhandelaars die niet bij het syndicaat zijn aangesloten. Zij zullen ertoe gehouden zijn degenen die zich niet gedragen volgens onze overeenkomst aan het comité van toezicht te melden. Er zal tegen dezen een rechtsgeding worden aangespannen.
Art. 25 – De gesyndiceerden verbinden zich ertoe solidair tussen te komen in de rechtsvervolgingen waartoe door 2/3en van de algemene vergadering werd beslist.
Gedaan en goedgekeurd door de algemene vergadering van 4 mei 1903
Het voorlopig comité en de oprichters : ...
De vertaling van de brief die brouwer Schouberechts schreef aan de redactie van Le Petit Journal du Brasseur, het brouwersvakblad. Deze brief werd in extenso gepubliceerd onder de titel :
Le vol de bouteilles.
Au directeur du Petit Journal du Brasseur,
In de hoedanigheid van secretaris van het Syndicaat van de brouwers met eigen flessen van Sint-Truiden en omgeving, waarvan ik u in bijlage de statuten laat geworden, veroorloof ik mij u te vragen of u in uw volgend nummer niet een kleine melding zoudt kunnen maken van de recente stichting van ons syndicaat en van de goede resultaten die het reeds heeft voortgebracht. Vermits er een kentering in gunstige zin valt waar te nemen bij mijn collega’s die destijds vijandig stonden tegenover elke vernieuwing en verstandhouding, ben ik ervan overtuigd dat enkele regels in uw blad een gunstig effect zouden hebben zowel op de gesyndiceerden als op degenen die tegenstribbelen.
Inderdaad, niettegenstaande de min of meer systematische weerstand, hebben wij goede resultaten bekomen; ons magazijn, gehuurd door het syndicaat en waar elke gesyndiceerde de flessen van andere firma’s moet afleveren en er de zijne kan terugnemen, heeft na drie maanden reeds meer dan 1700 flessen zien circuleren. Het heeft een toezichthouder die onze rijtuigen controleert en die streng toezicht houdt op die van onze gesyndiceerden.
Wij hebben stappen ondernomen bij de drogisten, de schilders, de specerijwinkels, enz... waarbij we hen gevraagd hebben alle flessen te weigeren waarop een firmanaam vermeld staat en die men hen zou aanbieden om ze te vullen met om het even welk produkt. Zij hebben allemaal aanvaard om onze affiches uit te hangen waarop de verwittiging staat dat het syndicaat de overtreders gerechtelijk zal vervolgen.
Aanvaard, Mijnheer, enz...
Sint-Truiden, 29 december 1903
Kanunnik Senden was afkomstig van Kozen en had in Sint-Truiden de Normaalschool gevolgd. Daarna was hij voor priester gaan studeren en werd na zijn priesterwijding in 1880 leraar aan diezelfde Normaalschool waar hij gestudeerd had. Achteraf werd hij nog inspecteur van het lager onderwijs.
Senden reisde graag en nam alle middelen te baat om te kunnen rondtrekken. Zo kon hij in 1886 in Engeland enkele weken een parochiepriester gaan vervangen. Tijdens zijn verblijf aldaar maakte hij kennis met de beweging tegen het drankmisbruik. Dat maakte een zodanige indruk op hem dat hij zich aansloot en een overtuigd militant werd. Het bepaalde voor een groot deel de rest van zijn leven. Terug in België gekomen richtte hij het Matigheidsgenootschap op. Deze vereniging groepeerde alle mensen vanaf 18 jaar die er zich toe verbonden matig bier en wijn te drinken en helemaal geen sterke dranken te gebruiken. Er bestond ook een afzonderlijke
jeugdafdeling voor kinderen en jongeren vanaf zes jaar tot de leeftijd van achttien. In die tijd bestond er inderdaad ook bij kinderen (van de arbeidersklasse) drankmisbruik. In een eerste periode kwam het roken niet ter sprake, maar later voerde hij ook daartegen fervent actie.
Senden voerde op het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw met zijn vereniging “het Sint-Jansgenootschap”, zijn maandblad “De Sint-Jansbode” èn zijn pamfletten meer dan eens actie tegen cafébezoek tout court. Daarenboven beweerde hij dat het bier van slechte kwaliteit was. Dat alles werd hem door de Truiense herbergiers en brouwers natuurlijk niet in dank afgenomen. Zij beschuldigden hem in een pamflet dan ook van broodroof en beweerden dat een aantal herbergen door zijn toedoen reeds hadden moeten sluiten.
De acties van Senden moet men zien in het licht van de toen veel voorkomende jeneververslaving en de daaruit volgende verpaupering van een groot deel van de arbeidersklasse. Zijn manier van actie voeren komt ons nu als wat naïef over en ze was dat ook wel, maar het staat toch vast dat hij een aantal mensen van de drankzucht en de miserie heeft kunnen wegtrekken. Hij leidde een soort AA avant la lettre. Nochtans hebben wij moeten wachten tot 1920 en de wet Vandervelde voordat er aan de jeneververslaving een voldoende halt kon worden toegeroepen.
Senden was op velerlei terreinen actief. Hij is bij de oude Truienaars echter het meest bekend gebleven met zijn Berchmanshuis en met zijn bond tegen het drankmisbruik, de “Matigheidbond”, door zijn tijdsgenoten oneerbiedig “de mùttekesbònd” genoemd.
Sittard 28.10.1912 – Maastricht 25.02.2000
Broer van de priesters Jan en Emile. Klein Seminarie, ondervoorzitter Utile Dulci 1932. Kortverhalen onder pseud. ‘Henk van Dijk’. Priester 1937. Kapelaan Membach 1937, administrator Kelmis (La Calamine) 1943 en kapelaan Welkenraedt 1944. Pastoor Bois 1949, Gelinden 1953 en Smeermaas 1966-1977. Overleden aan brandwonden bejaardenhuis Jekerdal Maastricht. Streekgeschiedenis in Limburgse tijdschriften en dagblad.
Biografische notities in NBIOW. Lid Société d’art et d’histoire du diocèse de Liège en Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis. Voorzitter Geschied- en Oudheidkundige Kring GOSSU Lanaken 1972-1977. Prijs Gemeentekrediet van België.
Als pastoor van Gelinden bezorgde hij dit dorp een hele reeks historische bijdragen en trok de aandacht op de lokale mergelontsluiting met zijn unieke fossielen.