oorlogs burgemeester Vrijdaghs

Jozef Vrijdaghs (1890-1950): De 'Zwarte' Burgemeester van Sint-Truiden


Een portret van activisme, collaboratie en de prijs van de Nieuwe Orde.

De geschiedenis van Sint-Truiden tijdens de wereldoorlogen is onlosmakelijk verbonden met de figuur van Jozef Vrijdaghs. Advocaat, activist in de Eerste Wereldoorlog en oorlogsburgemeester in de Tweede. Voor de één was hij een overtuigd Vlaams-nationalist, voor de ander een opportunist die zijn macht misbruikte voor persoonlijke vetes en ideologische ronseling. Zijn overlijden in de gevangenis van Vorst in 1950 markeerde het einde van een van de meest controversiële levenslopen uit de Truiense stadsgeschiedenis.

De wortels van een activist

Jozef Alphonse Antoine Vrijdaghs werd geboren op 4 november 1890 in Sint-Truiden als zoon van een onderwijzer. Na zijn studies rechten aan de KU Leuven vestigde hij zich als advocaat in de Ridderstraat. Al snel bleek zijn Vlaamsgezindheid radicale vormen aan te nemen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wierp hij zich op als leider van de Groeningerwacht en trad hij in 1917 toe tot de Raad van Vlaanderen, een door de Duitse bezetter gesteund schijnparlement.

Deze vroege collaboratie kwam hem duur te staan: na de Duitse aftocht in 1918 vluchtte hij naar Nederland. In België werd hij bij verstek veroordeeld tot levenslange dwangarbeid. Pas na de 'Uitdovingswet' van 1927 kon hij terugkeren naar zijn vaderstad, waar hij in 1939 zijn advocatenpraktijk hernam.

1941: De machtsgreep in Sint-Truiden

Toen de Duitsers in 1940 België opnieuw bezetten, zag Vrijdaghs zijn kans schoon. In juni 1941 werd hij door de bezetter aangesteld als oorlogsburgemeester. Hij ontpopte zich als een fanatiek aanhanger van de DeVlag (Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap) en werkte nauw samen met Duitse instanties zoals de Abwehr (contraspionnage).

Volgens getuigenissen van tijdgenoten, zoals schepen Al. Belet en stadssecretaris J. Sweeck, vervaagde onder Vrijdaghs de grens tussen zijn ambt en zijn privébelangen. Hij hield vaak 'zitting' in restaurant De Klok, omringd door figuren uit het smokkelmilieu, en pochte over de grote sommen geld die hij verbraste terwijl de stadsbevolking honger leed.

Administratieve terreur en verklikking

Het bewind van Vrijdaghs werd gekenmerkt door een klimaat van angst. Uit de processen na de oorlog bleek dat hij zijn positie gebruikte om politieke tegenstanders uit te schakelen:

Ronselen voor het 'Oostfront'

Vrijdaghs was een drijvende kracht achter de ronseling voor de Waffen-SS en de tewerkstelling in Duitsland. Hij bezocht Truiense arbeiders in Duitse fabrieken, zoals de Volkswagenfabriek in Brunswijk, niet om hun lot te verbeteren, maar om hen te indoctrineren.

Het meest tragische voorbeeld is de zaak-Vossius. De zoon van handelaar Frans Vossius sneuvelde aan het Oostfront nadat Vrijdaghs hem had overgehaald te tekenen. De burgemeester hield de jongen zelfs verborgen voor zijn eigen ouders tot het moment van vertrek, om te voorkomen dat zij hem zouden tegenhouden.

De val en het proces

Aan het einde van de oorlog, toen de kansen keerden, dook Vrijdaghs onder. Hij werd echter gearresteerd en in 1946 geconfronteerd met zijn daden voor de Krijgsraad in Hasselt. Tijdens het proces ontkende hij hardnekkig elke betrokkenheid bij razzia's (zoals die in Meensel-Kiezegem) en probeerde hij zich voor te doen als een "tussenpersoon" die juist burgers had gered.

De bewijslast was echter verpletterend. Getuigenissen van SS-kopstukken zoals Morael en de bekentenissen van zijn eigen medewerkers schilderden het beeld van een man die de Nieuwe Orde volledig had omarmd. De Belgische staat eiste een recordbedrag aan schadevergoeding.

Jozef Vrijdaghs stierf op 3 juni 1950 in de gevangenis van Vorst, nog voor hij zijn volledige straf had uitgezeten. Hij ligt begraven op de gemeentelijke begraafplaats van Sint-Truiden (Blok 04, rij 01).

Overlijdensbericht

Bronvermeldingen en geraadpleegde documenten:

ONTDEKKING VAN DE DAG

Een sponsorbord in mergel

Een sponsorbord in mergel

Dorpskenner Hubert Hoche (+) van Kerkom liet in 2002 een raadseltje oplossen, dat de Open Monumentendagfolder in 1990 open liet. Hoog in de kerktoren zit een verweerde steen met wapenschild ingemetseld. Met hulp van een verrekijker en het wapenboek van de Belgische adel kennen we nu wel het antwoord: Hyacinthe de Chestret, Luikenaar van formaat, liet er zijn merk achter.

Zeer waarschijnlijk sponsorde hij de heropbouw van de kerktoren in 1861 naar ontwerp van Isidore Gérard. Rond die tijd werd hij levenslang burgemeester van Kerkom. Hyacinthe was oud-militair, liberaal senator én suikerfabrikant in Bernissem. Hij trouwde in 1834 met de dochter de Selys van het lokale Alsterdomein. Voor een goed begrip: het gaat om het zogenaamde ‘Rood Kasteel’, waar zijn familie in 1889 het mooie kasteeltje bouwde midden in een groot Engels landschapspark. Paul Hayen (+) legde er later zijn stoeterij ‘Darby Farm’ aan. De dreef van aan de Naamse Steenweg leidt naar het ander, ‘Wit Kasteel’ van Kerkom, eigendom van de Brouckmans en later van Porreye.

In 1852 kreeg bietsuikerbaron de Chestret van Leopold I een echte titel met kroon. Die prijkt met z’n negen parels boven op het wapenschild. De geelgrijze mergelsteen heeft intussen wat parels laten vallen, maar het familielogo is nog best herkenbaar. In heraldisch jargon luidt het: doorsneden van zilver, met een leeuw van sinopel, gekroond met goud, getongd in keel, met op azuur drie zespuntige gouden sterren. Het schil is getopt met een baronnenkroon en gehouden door twee gekroonde en omgewende gouden leeuwen. De steen op de kerktoren toont nog twee gekruiste palmen onderaan. Natuurlijk zit er geen kleur (meer) op de mergel, maar in mensentaal heeft het schild beneden een groen leeuwtje op wit en bovenaan drie gele sterren op blauw. Twee gele leeuwen houden het blazoen recht. Die zien er met hun abnormaal naar buiten gekeerde muilen vervaarlijk lelijk uit.

Mergel is versteende kalkmodder, opgebouwd uit de skeletafval van zeediertjes, 66 miljoen jaren oud en gezaagd uit groeven in Zuid-Oost-Limburg. De juiste naam is Maastrichtersteen of krijtsteen. Architect Gérard gebruikte mergel ook voor versieringen aan zijn andere gebouwen, zoals het afgebrande kasteel van Nieuwerkerken, het afgebroken casino op het huidige Europaplein of het kerkje van Ordingen. Als Henegouwse leerling van de Gentenaar Louis Roelandt vestigde hij zich in onze provinciestad rond 1848, maar verliet ze in 1861 om stadsarchitect te worden in Hasselt. Hij vertrouwde op de zachte Limburgse steen die je kan bewerken met timmermansgereedschap zoals zaag en schaaf. Maar uitstekende reliëfdetails in mergel verweren gemakkelijk, zo bleek later.



De steen in gele mergel zit boven de ingangsdeur


Overigens heeft de Sint-Maartenskerk  op de valleihelling van de Cicindria , ondanks de verwoestende brand van 11 januari 1975, nog wat leuke details in petto: jonker Laurens van Alster liet er zich in 1539 voor eeuwig verstenen in harnas, met lang ruiterzwaard en met de voeten rustend op z’n hazewind. Het kerkhof van Kerkom telt veel oude grafkruisen, al vanaf 1623, en op de hekpijlers zijn van de ingang zijn evangelieteksten gebeiteld.
Wie er het fijne van wil weten kan terecht in de stedelijke openbare bibliotheek, in het fonds Trudonensia, waar per dorp een documentatiemap is aangelegd. Over mergel is er de ‘Atlas natuursteen in Limburgse monumenten’ geschreven door Roland Dreesen en Michiel Dusar. Om wapenschilden te ontcijferen neem je best het ‘Wapenboek van de Belgische adel van de 15de tot de 20ste eeuw', in 1992 geschreven door Paul Janssen en Luc Duerloo.