Een atlas ... Misschien nog bekend als het handige hulpmiddel tijdens de les aardrijkskunde, dat niet veel later gedoemd was om in een kast onder het stof te verdwijnen. Het is nochtans een bijzonder instrument dat de zinderende wereld strak en ordelijk tracht te vatten in een reeks kaarten en plannen. Ook dit exemplaar uit de zesdelige Atlas universel de g graphie is een historisch pareltje dat op het einde van de jaren 1820 van de pers kwam. Wie bedenkt er zoiets?
In Brussel was Philippe Vandermaelen (1795-1869) al van jongs af aan gefascineerd door de kunst van de cartografie. Als telg uit een welgestelde familie had hij trouwens de middelen én het netwerk om zich hierin te verdiepen. Met een ongebreidelde passie voor het vak verfijnde hij een meetkundige projectie die hem in staat stelde gedetailleerde landkaarten op gelijke schaal te vervaardigen. Wanneer zijn - tot op vandaag geprezen - Atlas universel de géographie verscheen, was Vandermaelen amper 30 jaar oud. Het bracht hem naam en faam als cartograaf. Zijn leven lang zou hij kennis van over de hele wereld vergaren om kaarten te produceren.


In het bekken van de Melsterbeek volgen de beken eerst zuid-noord het dalend reliëf van ca. 100 naar 35 meter boven zeespiegel. Net noordelijk van het stadscentrum van Sint-Truiden buigt de Melsterbeek zelf naar het noordwesten en ontvangt de Cicindria in Melveren en de Molenbeek in Runkelen. Ze loopt dan een tijdje zij-aan-zij met de Gete en vloeit samen bij Donk. Via Demer, Dijle en Rupel gaat het richting Schelde.

De naam ‘Melster’ komt waarschijnlijk van het woord malter of mout, maar in de lokale volksmond is het gewoon ‘molenbeek’ als grootste waterloop. Ze ontspringt in Heiselt bij Jeuk, vlakbij de taalgrens. Ze is 33 kilometer lang. Waterlopen schuren beekvalleien uit en de kleilagen onder de ijstijdleem in Vochtig Haspengouw doen talrijke bronnetjes dagzomen. Langs de oevers van de Melsterbeek groeide een ketting van dorpen met omgrachte kastelen en zelfs abdijen in Nonnemielen en Terbeek. Haar stroomkracht deed graanwatermolens draaien. In Sint-Truiden zijn dat de dorpen Aalst, Brustem, Ordingen, Zepperen, Melveren, Metsteren en Runkelen.

De beken kennen in deze streek een vrij hoog verval met piekdebieten. Voor de waterbeheersing waren wachtbekkens nodig, o.m. voor de Melsterbeek in Aalst, Ordingen en Bernissem. De natte gronden in de beekvalleien waren in de 19de-20ste eeuw met waterzuchtige Canadapopulieren beplant, nuttig voor klompen, minder duurzaam timmerwerk en kisthout.


Een vistelling in 2012 bij Metsteren leverde volgende soorten op: driedoorn stekelbaars, tiendoorn, riviergrondel, bermpje en blauwband. De molenwatervallen zijn wel een drempel voor hun migratie voor paai, rust en voedselgaring, onderzoek Stef Cools.
